Tolerantie binnen grenzen

Civis Mundi Digitaal #144

door Herman Hümmels

Bespreking van Kees Schuyt, Begrensde tolerantie, Over verdraagzaamheid, onverdraagzaamheid en het ondraaglijke. Boom, 2023.

 

Kees Schuyt (1943) is emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en van 2005-2013 lid van de Raad van State. Van 2006-2007 bekleedde hij de Cleveringa Leerstoel met als leeropdracht ‘Recht en conflict’. In 2010 werd hij benoemd tot lid van de raad van toezicht van de Universiteit Leiden. Schuyt was voorzitter van de KNAW-commissie.

Tolerantie en intolerantie
Het centrale thema van Schuyts boek is, dat tolerantie niet buiten begrenzing kan, in het belang van de democratie. “Maatschappelijke tolerantie is een tussenruimte, die mensen elkaar bewust toestaan om op vreedzame wijze samen te leven.” (p9). Het betreft een houding van openheid en begrip ten opzichte van diversiteit, variëteit en verschillen in de samenleving.
Het begrip tolerantie wordt relevant in de ruimte tussen dat wat onverschillig laat en het ‘ondraaglijke’. [De aanname die hieraan ten grondslag ligt, is dat mensen elkaar  soms ergeren, frustreren of ‘pijn’ doen, en dit soms accepteren.] Wanneer is, wat er gebeurt, ondraaglijk? Maar ook: Wanneer staan mensen elkaar bewust iets toe?

In de rest van het boek blijkt dat op verschillende manieren met het begrip tolerantie kan worden omgegaan: tolerantie als vreedzame co-existentie; tolerantie als erkenning (afwegen van waarden) ; tolerantie als deugd (omgaan met verschillen)…

Motieven
Waarom zou je iets goed vinden als je het eigenlijk afkeurt? Daar kunnen verschillende redenen voor zijn: principiële en opportunistische. De tolerantieruimte [het accepteren] kan vaststaan op grond van machtsuitoefening van een andere partij (bijvoorbeeld de overheid), maar komt vaker voort uit het al dan niet terechte gevoel van onmacht. Gedogen is een vorm van halfslachtig beleid. De opvatting dat de waarheid een subjectieve aangelegenheid is, leidt tot radicalisering van standpunten en maatschappelijke polarisering, en tot bezinning op de liberale democratie.

Begripsverheldering
Schuyt zoekt een antwoord op de vraag, of de geschiedenis ons iets kan leren over de verhouding tussen tolerantie en intolerantie. Daar gaat in feite het hele boek over. Schuyt doet dit door minutieus de opvallendste gebeurtenissen en keerpunten in de geschiedenis te doorlopen.
In het eerste deel komen aan de orde: Erasmus, Montaigne, Coornhert, Locke, Voltaire, Hume, Kant, Lessing, Mill, Taylor-Hardy, Servetus, Castello, Spinoza, P.Bayle, Adam Smith, J.A. Markies de Condorcet, Mary Wollstonecraft, Olympe de Gouges…

Het tweede deel legt meer nadruk op “kwesties die van oudsher met tolerantie te maken hadden, en gingen om: vrijheid van geweten en godsdienstige overtuiging, vrijheid van meningsvorming-en-meningsuiting; seksuele moraal; andere vrijheidsbeperkende geboden en verboden.” (p24)
Veel ge- en verboden zijn vanaf de Franse Revolutie in een Grondwet en andere wetten vastgelegd. Tijdens de Amerikaanse Revolutie speelde Thomas Paine (1737-1809) een hoofdrol; De Mirabeau ( 1749–1791) tijdens de eerste bijeenkomsten van de Wetgevende Vergadering in de Franse Revolutie. Ze zeiden beiden: “wij willen geen tolerantie, want die verleent alleen maar willekeur van pausen, prelaten en wereldlijke vorsten. Wij willen rechten.” (p24)

Ontstaan
Het begrip ’tolerantie’ is ontstaan vanuit de geest van het Italiaanse humanisme (14e eeuw met omstreeks 1500 als hoogtepunt). Een belangrijke gebeurtenis was het protest dat in Genève plaatsvond toen een ketter in 1553 veroordeeld werd tot de brandstapel. Dit leverde een protestschrift op en markeerde de scheiding tussen de late middeleeuwen en de humanistische Renaissance. Veranderingen vonden met name plaats in de beeldende kunst en de literatuur.

Het idee ‘tolerantie’
In de volgende periode speelden onder anderen Erasmus (1466-1536), De Las Casas en Castello een belangrijke rol. Schuyt besteedt het eerste hoofdstuk hieraan. ‘Tolerantie’ ontstond met de opkomst van de godsdienstvrijheid.
Erasmus en de andere humanisten kwamen niet tússen Rome en de Reformatie te staan, maar stonden eerder bóven beide partijen. De humanisten kozen voor rede en redelijkheid. Ze wezen de vele hypothetische veronderstellingen en metafysische dogma’s af, die godsdienstoorlogen veroorzaakten. Tolerantie werd begrepen als het bewust willen luisteren naar andere opvattingen. Het werd een van de kenmerkende geestelijke houdingen van Erasmus.
Schuyt gaat uitgebreid in op de verschillende controversen tussen de rebellerende ‘geloofsafsplitsers’ van de voorheen overheersende katholieke kerk, – met name die tussen Servetus, Calvijn en Castellio..

Humanisme
Coornhert en anderen leerden in Nederland omgaan met de religieuze verscheidenheid, terwijl in Frankrijk een heftige godsdienstoorlog woedde (1562-1598). Het Edict van Nantes (1598) regelde de twist tussen katholieken en protestanten.
“Een diversiteit van meningen en gewoonten moet, naar het inzicht van Montaigne (1533 - 1592), niet alleen worden ‘verdragen’, maar is zelfs aan te moedigen. Coöperatie tussen mensen en groepen is daarvoor noodzakelijk en vereist een bereidheid tot interactie en dialoog bij potentiële conflicten." (p74)
De Nederlandse Republiek werd als een eiland van verdraagzaamheid beschouwd. Het tolerantiebegrip van Erasmus (1466/7/9–1536) kwam neer op: de ander accepteren en tot zijn recht laten komen, ook wanneer de opvatting ingaat tegen de gevestigde orde. Zijn tolerantiebegrip steunde op het onderscheid tussen wezenlijke en niet-wezenlijke onderdelen van de christelijke leer.
De Coornhert (1522-1590) formuleerde zijn opvatting als ‘zedekunst’: “geen mensch op aerde heeft macht, jurisdiction of heerschappij over eens ander consciëntie [geweten]”. (p83)
Schuyt beschrijft veel personen en hun achtergronden en opvattingen, die een rol hebben gespeeld, ook in Engeland.

Verlichting
“Ook in de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting, werd de Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën ten voorbeeld gesteld aan andere landen.” (p97) Een belangrijke rol speelde Pierre Bayle (Frankrijk, 1647–Rotterdam, 1706) ‘als voorlichter der Verlichting’. Voltaire (1694 – 1778) was een vurig bestrijder van onrecht en intolerantie. Het zelfstandig denken wordt door een vooroordeel tegengehouden.
Op een boeiende manier wandelt Schuyt door de geschiedenis. De Schotse en Duitse Verlichting wordt uitgebreid en beeldend besproken aan de hand van onder andere Hume en Kant. Schuyt geeft een interessant tijdsbeeld.

Van gunst naar recht
Een belangrijk moment vormde “de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 door een hongerende en nu bewapende, opstandige menigte, die de poorten van de gevangenis opende.” (p157) Dit was het begin van de Franse Revolutie. Tolerantie was geen gunst meer, maar een recht: het grondwettelijke recht op vrijheid van godsdienst en geweten. “Zoals de Franse Revolutie voor velen hoop betekende op een betere, democratischer samenleving, zo kan de korte, maar zeer heftige Jacobijnse Terreur tijdens de Nationale Conventie (van september 1792 tot 1795) gelden als de hoogste waarschuwing uit de geschiedenis tegen totalitaire democratie en gewelddadig totalitarisme.” (p161)
De geschriften van Thomas Paine (1737-1809) hadden een belangrijke invloed op zowel de Amerikaanse als de Franse Revolutie; hij is een van de belangrijkste denkers van het liberalisme. Hij beschreef de Rechten van de Mens. Ook wordt het werk van de Condorcet (1743-1794) uitgebreid beschreven.

Vrijheidsrechten
In 1776 vond de succesvolle revolutie en afscheiding van de federatie van de dertien Verenigde Staten plaats naar voorbeeld van de Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën. In de 19e eeuw speelden op de marktplaats van ideeën rond de vrijheidsrechten en tolerantie, spelen John Stuart Mill en zijn latere vrouw Harriet Taylor-Hardy een belangrijke rol. Uit de vele geschiedkundige wetenswaardigheden die Schuyt beschrijft valt op te maken dat tolerantie pas een eerste stap is in de richting van begrip. Wederzijds begrip ligt nog verder weg.

Rechten van de vrouw
In 1789 werd in Frankrijk de gewetens- en godsdienstvrijheid vastgelegd, wat niet wil zeggen dat het anders-denken volledig aanvaard werd. Ook de rechten die vrouwen hadden ten opzichte van mannen waren nog steeds ongelijk. Twee vroege voorvechters voor gelijkheid waren Olympe de Gouges en Mary Wollstonecraft. Hun levens (ook die van anderen) worden uitvoerig beschreven, uiteraard ook met uitgebreide uiteenrafeling van daden die hun leven markeren.

Verzuiling
In 1863 werd in de Verenigde Staten de slavernij afgeschaft. De emancipatie kwam in het centrum van de belangstelling te staan. “De Nederlandse samenleving in de tweede helft van de negentiende eeuw (vanaf 1870) en het eerste kwart van de twintigste (tot om en nabij 1919-1923) werd gekenmerkt door sociale en politieke strijd van vier verschillende groepen, die een achterstand in rechten en sociale ontwikkeling probeerden om te zetten in meer gelijkwaardige posities in de samenleving: vrouwen; de protestantse middenklasse van ‘kleine luyden’; katholieken (intellecturelen, middenstand en arbeiders) en de socialistisch georiënteerde arbeidersbeweging. Dit gebeurde vooral door zich met elkaar in de eigen groep te verbinden in allerhande organisaties, kiesrecht-acties en vakbonden. Daartoe ging men vervolgens voorzichtig politieke samenwerking aan met andere achtergestelde groepen, opdat een “‘working apart together’-relatie voor beide groepen vruchten zou afwerpen.” (p226/7) Een verzuilde maatschappij ontstond. Hierover heeft de Nederlands-Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart geschreven. (zie CM134)

Koerswending in Europa
“In Rusland had Lenin, na de revolutie van 1917, het model voor terreur goed afgekeken van Robespierre. Een klein Centraal Comité en volgelingen die de ideologie en bevelen tot ‘verdelging’ van ‘vijanden van het volk’ strikt uitvoerden, ook al behoorden die ‘vijanden’ tot de eerste gekozen volksvertegenwoordiging. Het begin van een zeventig jaar durende dictatuur.’” (p235) In Italië, Spanje, Portugal, Polen, Duitsland werden jonge democratieën verdrongen door autoritaire regimes. Het fascisme kwam op. De discussie over tolerantie verstomde. “Op 14 december 1931 werd in Utrecht de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) opgericht door ir. Anton Mussert.” (p237)

Het ondraaglijke over de grens van tolerantie
Volgens Schuyts is tolerantie soms onmogelijk. Totalitaire onderdrukking dient niet verdragen, maar bestreden te worden. Met name als het gaat om de vrijheden van de democratische staat. Dulden betekent: buigen voor de macht. “De grens van tolerantie ligt bij intolerantie: wanneer de fundamentele beginselen (waarden) van vrijheid van geweten en gelijkheid voor de wet worden onderdrukt en de menselijke waardigheid aangetast.” (p245) Intolerantie gaat gepaard met onderdrukking door staatsdwang. Fanatisme is de vijand en het tegenovergestelde van tolerantie. "De kern van het probleem van tolerantie is een heilig geloof in eigen gelijk in combinatie met de macht om dit gelijk door en voort te zetten, in praktijken om te zetten." (p251)

Pluralisme
In 1945 werden de Verenigde Naties (VN) opgericht, die in 1948 besloten de ’Rechten van de Mens’ vast te leggen.
“In de Universele Verklaring wordt een absolute waarde toegekend aan het individu, dat tevens wordt beschermd tegen discriminatie op basis van geloof, ras of politieke overtuiging.” (p254) Het oprichten van de VN kon niet vermijden dat in 1950 de Koude Oorlog ontstond, waarbij de communisten als vijand werden gezien. Die ‘oorlog’ beëindigde in 1989 met de val van de Berlijnse Muur.
In Nederland ontstond een welwillende houding tegenover nieuwkomers, waarvan verwacht werd dat ze zich ‘accommodeerden’ en de opkomende verzorgingsstaat stimuleerde basisvoorzieningen die in verzuilde instituties werden uitgevoerd. “Gesteund door de traditie van mildheid en compromisbereidheid, afkomstig uit de accommodatiepolitiek, konden in de jaren zestig en zeventig op uiteenlopende gebieden afwijkende gedragingen en levensstijlen vrolijk naast elkaar opbloeien." (p266)

Dominantie en discriminatie
Schuyt wijst op het verschijnsel van dominantie dat foute discriminatie veroorzaakt, die op haar beurt wettelijke anti-discriminerende maatregelen voortbrengt van rechten en plichten ter bescherming van achtergestelde groepen. “Op grond van deze rechten kan deelname aan allerhande sociale instituties (ook getalsmatig) worden bevorderd en geëist, in de huidige vorm door middel van vrijwillige of gedwongen quotavoorschriften. Dan ontstaat een tussenstation in veranderende vormen van dominantie.” (p272) Naarmate de deelname aan deze instituties groter wordt, ontstaat opnieuw dominatie die verdere culturele verandering en wetgeving teweeg brengt.

 

 

Gedogen
Gedogen is: toestaan wat je niet aanstaat. Dit raakt aan het begrip ’tolereren’. Iemand tolereren is iets anders dan hem accepteren. Daarom zeggen sommige mensen: “Ik wil niet getolereerd worden, ik wil rechten”. Dit is in Nederland aan de orde als het om nieuwkomers gaat. Deze kwestie speelt in een democratie, niet in een totalitair systeem. In een pluralistische maatschappij kunnen verschillende opvattingen naast elkaar bestaan. Deze vorm van pluralisme valt niet samen met relativisme. “Men gelooft immers wel degelijk in de eigen overtuiging en komt daar ook ruiterlijk mee naar voren.” (p283)
De Nederlandse tolerantie wordt vaak gelijkgesteld met het gedoogbeleid. “Enerzijds wordt ‘gedogen’ beschouwd als een typisch en langdurig kenmerk van de Nederlandse cultuur. [...] Anderzijds werd ‘gedogen’ als een nieuw verschijnsel beschouwd, noodzakelijk in een ingewikkelder geworden rechtshandhaving en in een overbelast openbaar bestuur.” (p290)

Slotbeschouwing
In de slotbeschouwing blikt Schuyt terug op de meest destructieve gebeurtenissen, “vol intolerantie, repressie, twee wereldoorlogen, Stalins massamoorden en de Holocaust, atoombommen op Hiroshima en Nagasaki” in de twintigste eeuw. De vooruitgang in de wetenschappen en welvaart brachten geen rust in de wereld. Wel voldeden ongeveer 120 landen aan strenge democratische eisen. Voor Schuyt is de kern van de democratie: “dat de afwisseling en aflossing van politieke macht op een geregelde en niet-gewelddadige manier plaatsvindt en kan plaatsvinden.” (p315)

Schuyt formuleert vier kernproblemen voor de democratie:

  1. De spanning tussen eenheid en veelheid, tussen participatie en representatie.
  2. De controle op macht en machtsuitoefening.
  3. De verhouding tussen rechtsstaat en democratie.
  4. Het revitaliseren van de civil society, van lokale, sociale en culturele gemeenschappen.

Tolerantie is een maatschappelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratie. Pluralisme betekent daarbij: de eigen opvatting trouw blijven én blijvende trouw betuigen aan het openbare politieke systeem.

Conclusie
Schuyt beschrijft uitgebreid hoe het begrip ‘tolerantie’ in de loop van de eeuwen vorm kreeg en tegen grenzen aanliep. De Nederlandse geschiedenis staat centraal. Hij analyseert botsingen van verschillende waarden en opvattingen en de eruit voortvloeiende conflicten. Hij pleit voor het erkennen van de grenzen van tolerantie. Gedeelde kaders, normen en waarden zijn belangrijk.
Schuyt beschrijft de voortdurende worsteling tussen de opvattingen van groeperingen met eigen opvattingen en de noodzaak tot maatschappelijke ordening, waarbij de democratie in de knel kan komen. Hij doet dit uitgebreid en belicht diverse facetten.