Het Amerikaanse veiligheidsbeleid
Deel 1: Tijdens de Koude oorlog

Civis Mundi Digitaal #144

door Piet Ransijn

Bespreking van David Rothkopf, Running the World: The Inside Story of the National Security Council and the Architects of American Power. New York, Public Affairs, 2005.

 

Dit onthullende boek geeft de geschiedenis weer van de National Security Council, de instantie die de buitenlandse politiek van de VS in vergaande mate bepaalt onder de noemer ’National Security’. De NSC is minder bekend en minder berucht dan de CIA, de inlichtingendienst, de Central Intelligence Agency, die meer doet dan alleen informatie en advies verstrekken. Dat geldt ook voor de NSC, die bedoeld is als coördinerende en adviserende instantie inzake veiligheidsbeleid. De NSC en CIA vallen onder de verantwoordelijkheid van de president en staan buiten het directe toezicht van het Congres.

Het boek van Rothkopf biedt een aanvulling op de boeken van Willem Middelkoop en Tim Dollee, Patronen van bedrog en Tim Weiner, Een spoor van vernieling: De geschiedenis van de CIA. , Beide boeken gaan vooral over de ‘wandaden’ en mislukkingen van CIA en soms over geslaagde acties, zie vorig nummer CM 143. De CIA is afhankelijk is van het  presidentiële beleid en werd door “presidenten berispt en geminacht” en soms ook ‘gekortwiekt’. Daarom komt de dienst niet in aanmerking als kandidaat voor de Deep State, een schimmig, weinig transparant soort bestuur dat onafhankelijk van de president en de regering zou opereren. Dat is bij de CIA noch de NSC het geval. Hoewel beiden weleens eigenmachtig opereren, worden ze dan door de president en de politieke dynamiek teruggefloten. Ook de president wordt beperkt door de grondwet, het Congres, de Senaat en in zijn eerste termijn door zijn kans op herverkiezing.

Genoemde boeken geven een overzicht van de buitenlandse politiek van de VS. Who Rules America? van G.W. Domhoff gaat vooral over de binnenlandse politiek en de machtselite in de VS. Ook hier geen Deep State, omdat de invloed van de beschreven instituties bekend is. Er is geen geheim netwerk dat de dienst uitmaakt, hoewel er diverse geheime acties en operaties van de CIA, de NSC en de Amerikaanse overheid zijn geweest.

President George W. Bush meets with the National Security Council,  v l n r minister van buitenlandse zaken Colin Powell, president George Bush jr., vicepresident Dick Cheney en minister van defensie Donald Rumsfeld

 

Wat is de National Security Council?

De NSC bepaalt de Amerikaanse buitenlandse politiek en het presidentiële beleid meer dan de CIA, die meer bekend is. Wat is dan de NSC? Wat is de macht ervan en hoe werkt deze instantie? Het is een commissie rond de president dat hem beleidsadviezen geeft en het veiligheidsbeleid coördineert. Daaronder vallen zowel buitenlands beleid als defensie van twee ministeries die vaak met elkaar in de clinch liggen en daarom gecoördineerd moeten worden door de president met behulp van de NSC of andersom: door de NSC met behulp van de president.

Volgens Rothkopf is de NSC de machtigste commissie die de wereld gekend heeft, “the committee in charge of running the world”.

De NSC is in 1947 in het leven geroepen door de regering Truman met de National Security Wet. De NSC wordt voorgezeten door de president of degene die hij aanwijst en bestaat uit de vicepresident, de ministers van buitenlandse zaken en van defensie, en ministers en onderministers van andere departementen en militaire afdelingen die door de president zijn aangewezen. Door deze wet werden de CIA en de functies van minister van defensie en voorzitter van de gezamenlijke (militaire) bevelhebbers” (Chairman of the Joint Chiefs of Staff) in het leven geroepen. (p5) De samenstelling en werking wordt in hoge mate bepaald door de president. De NSC geldt als adviserend en coördinerend verlengstuk van de president.

De directeur van de NSC is de nationale veiligheidsadviseur van de president, die een ministeriële status heeft gekregen en vaak dichter bij de president staat dan zijn belangrijkste ministers inzake veiligheid: buitenlandse zaken en defensie. Het personeel van de NSC is uitgegroeid tot wel 200 leden. “Heel vaak schrijft deze staf de papieren, de toespraken en de brieven die de president moet tekenen en coördineert zij samen met  andere instanties ontmoetingen met ambassadeurs, medewerkers van het Congres, lobbyisten, ‘vrienden van de president’ en speciale belangengroepen.” (p7)

De nationale veiligheidsadviseur werkt gewoonlijk in het Witte Huis en is vaak bepalend voor wat zich afspeelt in de invloedrijke nabije omgeving van de president (de ‘inner circles’). Dit kunnen uiteenlopende personen zijn met wie de president afspraken maakt. “Leidt dit alles niet tot verwarring? Absoluut, zelfs in de binnenste kern van de organisatie.” (p8) Het boek beschrijft de machtsstrijd rond de president en de concurrentie om zijn aandacht.

Dvid Rothkopf

De auteur

David Rothkopf is een insider die bij de regering Clinton medewerker (assistent van de plaatsvervangend secretaris) was op het gebied van internationale handel. Daarna was hij o.m. managing director bij Kissinger Associates, voor hij zijn eigen adviesgroep begon. Bij één van zijn eerste bijeenkomsten onder leiding van de plaatsvervangende nationale veiligheidsadviseur trof het hem dat de invloedrijke deelnemers “eruit zagen als de mensen waarmee ik naar de middelbare school was gegaan.” Ze hadden menselijke zwakheden en “werden beïnvloed door de interactie met hun andere, zeer menselijke collega’s”. (p. xvii, xviii) Het boek laat hun successen en menselijke zwakheden zien. 

Rothkopf vergelijkt de NSC met het hof rond een koning, met de president als een koning omringd door “’baronnen’ en ‘hovelingen’”. Baronnen zijn bestuurders en topofficials op een bepaald gebied. Hovelingen en hun functies zijn minder duidelijk omschreven, maar cirkelen vooral rond de president in het Witte Huis. Onder de functionarissen spelen zich naast all hun plannen en projecten ook intriges, competities, rivaliteit, ruzie en menselijke dwaasheden af, die het functioneren van de NSC en andere overheidsorganen vaak grillig, spannend en onvoorspelbaar maken. (p12,13)

Rothkopf schreef meer dan honderd artikelen op het gebied van internationale veiligheid en enkele boeken, waaronder Superclass: The Global Power Elite and the World They Are Making (2008, besproken in CM 126); Power Inc.: The Epic Rivalry Between Big Business and Government and the Reckoning that Lies Ahead (2012); National Insecurity: American Leadership in an Age of Fear (2016); The Great Questions of Tomorrow: The Ideas that Will Remake the World (2017); American Resistance: The Inside Story of How the Deep State Saved the Nation (2022).

Aan het begin van Running the World staan enkele ‘lofprijzingen’ van voormalige directeuren van de NSC en de CIA en een VN ambassadeur plus excerpten uit de New York Times, The Washington Post, Foreign Affairs, International Affairs. De reacties van betrokkenen roepen de vraag op hoe kritisch het boek is. De titel is meer objectief en minder beoordelend dan de boeken Patronen van bedrog en Een spoor van vernieling die over de CIA gaan. Het geeft een uitvoerig, vaak wijdlopig en gedetailleerd overzicht van de naoorlogse buitenlandse politiek van de VS gecentreerd rond de NSC en de leidende presidenten. 

Het boek is gebaseerd op grondig onderzoek met ruim 130 interviews met leidende leden van de NSC en andere betrokkenen. Via zijn voormlige baas Henry Kissinger en anderen kreeg Rothkopf toegang tot relevante bronnen en inzicht van nabij in het functioneren van de NSC.

Het boek begint met de aloude vraag: “kan een individu of een kleine groep individuen de loop van de geschiedenis veranderen, grootse resultaten bereiken, of verschil maken? Als één individu kan beweren een beslissende invloed te hebben, zou het de president van de VS dienen te zijn... Op een aantal gebieden is de macht van de president natuurlijk beperkt door parlementaire en juridische ‘checks and balances’. Maar op het gebied van... de buitenlandse politiek, is de macht van de president altijd groot geweest, en mettertijd gegroeid... De mondiale macht van de VS en haar leiders groeide tot ongekende hoogten.” (p. xiii)  Honderden miljoenen, zelfs miljarden mensen werden door de president en zijn NSC beïnvloed. De presidenten en hun medewerkers staan echter ook on der invloed van “de collectieve krachten van de mensheid” (zie Sorokin,Basis Trends of Our Times, p 86-88, zie commentaren in vorig nummer). Deze krachten zien we ook in werking in genoemde boeken, die meer op personen dan op processen zijn gericht met uitzondering van het boek van Domhoff. 

 

Koningsdrama’s en onkundig volk

Ondanks grote invloed heeft de NSC weinig bekendheid, minder dan de CIA. Amerikanen weten vaak weinig van het buitenland en nog minder van buitenlandse politiek. 83 procent van de 18-24 jarigen wist bijv. op een wereldkaart niet aan te wijzen waar Afghanistan lag. Ongeveer een derde dacht dat de Amerikaanse bevolking meer dan een miljard mensen omvatte, terwijl het daarvan ongeveer een derde is. Minder dan de helft kon Frankrijk, Groot Brittannië, Japan of de staat New York op de kaart vinden. Laat staan dat ze wisten wat de National Security Council inhield. Soms denken ze dat het een geheim soort inlichtingen- of spionagedienst is, maar meestal mompelen of gissen ze maar wat. Behalve onwetendheid zijn er ook misvattingen, vertekeningen en complottheorieën.

Rothkopf vergelijkt de regering van de VS met de koningsdrama’s van Shakespeare. Een zieke oude koning Roosevelt sterft aan het eind van een hevige oorlog. Zijn plaatsvervanger Truman krijgt het koningschap in de schoot geworpen en wordt opgevolgd door een briljante generaal Eisenhouwer. Deze wordt opgevolgd door een jonge prins Kennedy, die wordt vermoord en vervangen wordt door zijn onderkoning Johnson, die verwikkeld raakte in de hopeloze oorlog in Vietnam. Nadat diens termijn verstreken was, was het de beurt van Koning Richard Nixon, die al eerder uit was op het koningschap, maar het verbruidt door machtsmisbruik. Een christelijke koning Carter volgde hem op als een voorbeeld van degelijkheid, maar een buitenlandse gijzelingsactie in Iran zat hem niet mee. Een voormalig gouverneur en acteur Reagan volgde hem op, die een ‘kwaadaardig rijk’ ((evil empire) meer met woorden dan met daden bestreed, waarna hij het geluk had dat dit rijk aan zijn eigen zwakheid ten onder ging. Hij werd opgevolgd door zijn onderkoning, Bush sr., die de Golfoorlog won maar zijn vijand Saddam Hoessein liet zitten. Maar deze vermeende vijand werd later na een nationale ramp op 9 september 2001 onschadelijk gemaakt onder het bewind van zijn zoon (Bush jr.).  Maar voor het zover was regeerde eerst een andere koning Clinton die door een verhouding met een stagiaire in opspraak raakte. Het drama gaat verder tot de huidige dag met oorlogen en spannende onderlinge twisten tussen rivalen die aanspraak maken op de troon.

Naast koningen zijn er ministers, diplomaten, andere hoogwaardigheidsbekleders en ‘baronnen’ die  vaak in onderlinge twisten zijn verwikkeld en daarom soms worden ontslagen door de koning. Vaak geven ze een beslissende wending of  maken ze een einde aan hun loopbaan door eigen toedoen of ontslag. Het boek volgt de ambtstermijn van de presidenten en het functioneren van de NSC onder hun regering, die in sterke mate wordt bepaald door het presidentiële beleid.

 

Achtergrond van de leidende figuren

Vijf factoren bepalen hoe de NSC werkt, in volgorde van belangrijkheid: 1. de persoonlijkheid van de president en de ‘sociologie’, de interactie, in zijn regering, met een ‘inner circle’ die veel invloed heeft. 2. De binnenlandse politieke context. 3. De internationale context. 4. Ideologie, beleidsfilosofie en wereldbeeld van de beleidsmakers. 5. Structuur en proces.

Het boek is vooral “een verhaal van mensen”. Deze mensen vormen een soort “aristocratische elite” van buitenlandse beleidsmakers, zoals door Mills, Domhoff en anderen naar voren is gebracht (zie CM 102 en vorig nummer 144). Er zijn soms dynastieke familiebanden zoals bij de de Roosevelts (oom en neef), de Kennedy’s en de familie Bush, die ook binnen de NSC bestaan en van vader op zoon gaan. Ook zijn er geregeld broers met functies binnen de NSC, zoals Alan en John Foster Dulles, McGeorge Bundy en zijn broer William, Walter en Eugene Rostow en zo zijn er meer familiebanden.

Vele top-politici begonnen hun loopbaan aan de Yale Universiteit, waar ze vaak lid waren van de geheime Skulls and Bones society. Ook de Harvard en Princeton Universiteiten leverden vele politici, die elkaar al sinds hun studententijd en een groot deel van hun loopbaan kennen. Ook het grote aantal politici met een militaire achtergrond is opmerkelijk. Rothkopf wijst op het bestaan van “sleutel clusters van officials, die de vele veranderingen in Washington overleefden en in het centrum van de beleidsvorming bleven”. (p19)  Zij vormen de kern van de machtselite. Hij noemt verder het bestaan van “foreign policy establishments", bestaande uit specialisten die door de kernelite zijn geworven en een opmerkelijke continuïteit tonen onder verschillende presidenten. Veel mensen die met Kissinger werkten, hebben nog vele jaren bijv. hun bestuurs carrière voorgezet, zodat de in 2023 overleden Kissinger in zijn 100-jarige leven als geen ander zijn stempel heeft gedrukt op de buitenlandse politiek van de VS.

“De verbindingen onderstrepen hoe klein de pool is waaruit de NSC wordt samengesteld... Alle insiders van deze commissie kennen elkaar al lange tijd en erkennen dat ze ongetwijfeld hun hele leven met elkaar te maken hebben. Daaronder vallen oude vijandigheden... vriendschappen... loyaliteiten... oude schoolbanden en andere diepe banden.” Het is een “wereld in een wereld [...en] een betrekkelijk‘ besloten groep”. Rothkopf wil echter niet weten van een complot(theorie), wel van een machtselite, die mede door de “onwetendheid en apathie van de kant van het Amerikaanse electoraat“ niet altijd even doorzichtig is. (p21) Reden waarom hij er in zijn boek meer licht op wil werpen. 

 

 

Het voorbeeld van Washington

Rothkopf begint zijn geschiedenis van de presidenten, hun regeringen en veiligheidsadviseurs met de eerste president George Washington, de leidende generaal bij de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Britten. Hij wordt als voorbeeld neergezet. “Washington tolereerde en omarmde een brede reikwijdte van visies in zijn kabinet... Hij beperkte de rol van het Huis [van afgevaardigden, het Congres] in internationale zaken... Plaatste zichzelf onder de wet en de wil van het volk en bovenal de wil om te dienen in plaats van te overheersen.” Hij wilde een voorbeeld stellen van een natie die werd “geleid door verheven gerechtigheid en welwillendheid”, zei hij in zijn afscheidsrede.  Hij ging uit van “respect voor de opinies van de mensheid”. (p25-28)

Rothkopf vergelijkt de positie van de VS na de oorlog met die ten tijde van Washington. De VS staat op een niet eerder bereikt hoogtepunt van haar macht voor de uitdaging deze macht te gebruiken voor het “grotere goed” van de wereldsamenleving en het vestigen van vrede. Zij kiest voor de wederopbouw van de oude vijand Duitsland en haar bondgenoten via het Marshall Plan en werkt aan een stabiele wereldorde met instituties als de VN, de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds, de Wereldhandelsorganisatie , de NATO. Rothkopf gaat eraan voorbij dat deze instellingen vooral ook dienden voor het behartigen van Amerikaanse belangen.

De nationale Security Wet van 1947 dateert ook uit die tijd, waarbij o.m. de NSC, het ministerie van defensie en de CIA in het leven werden geroepen, om de veiligheidsbelangen van de VS te waarborgen, maar ook de ruimere politieke en economische belangen. Het einde van de Koude Oorlog en de aanslag op 11 september 2001 waren andere momenten van kentering. 

“Onze leiders kozen ervoor... onze macht en middelen te gebruiken om onze belangen te bestendigen zoals zij deze omschreven. En in plaats van ‘een fatsoenlijk respect te tonen voor de meningen van de mensheid’... verwierpen wij de weg die ons land en haar leiders onderscheidde bij haar ontstaan en het eerdere moment van haar grote triomf. De woorden van Truman... dat ‘het de verantwoordelijkheid van grote staten is om te dienen en niet om de wereld te domineren’ verdronken in in concepten als voorrang en unilateralisme., ideeën die meer gefundeerd waren op brute macht dan op de filosofie van de stichters van Amerika... Als we onszelf boven en buiten de invloed van mondiale instituties of het bestuur van de wet plaatsen, zal dat de internationale orde beschadigen die we probeerden op te bouwen na de tweede wereldoorlog.” (p30)

Rothkopf mist open debat en verlichte filosofie. “Moderne leiders omarmden ideologie.” Iedere president staat voor uitdagingen waarin hij zijn karakter en dat van zijn team kan tonen. “Grote gebeurtenissen doen een beroep op grote mensen.... ‘Karakter bepaalt het lot’, zoals Heraclitus voorspelde... Wij hebben de weg niet gevolgd die onze eerste leider 200 jaar geleden vestigde.” (p32)

Toch zijn er grote presidenten geweest die de principes van Washington weer oppakten. Franklin Roosevelt zei bijv. “dat ons welzijn afhankelijk is van het welzijn van andere naties, ver weg... We hebben geleerd om wereldburgers te zijn, leden van de menselijke gemeenschap.” (p33) Na het voorbeeld van Washington volgt Rothkopf de geschiedenis van de presidenten en hun veiligheidsadviseurs.

Harry S. Truman

De Trumandoctrine

Vicepresident Truman was door Roosevelt niet goed voorbereid om het presidentschap van hem over te nemen toen hij stierf. Roosevelt werkte aan het eind van de oorlog vaak in het geheim met een beperkte groep, waarvan Truman geen deel uitmaakte, en zorgde ervoor dat hijzelf de belangrijke beslissingen nam en niemand anders. Het presidentschap overviel de onderschatte Truman. Hij wist weinig van de atoombom, de Jalta Conferentie met Stalin en Churchill en de geheime afspraken met hen. 

Niettemin ontstond er onder Truman na de oorlog “een explosie van internationalistische institutionele creativiteit... door de gelukkige coïncidentie van een groep opmerkelijke mensen in machtsposities in de VS... die teruggrijpt op een vergelijkbare situatie bij de stichting van de  Republiek”. Zij legden het fundament voor de instituties die de wereldgemeenschap vandaag de dag samenhouden en de VS verzekeren van een permanente en ongeëvenaarde plaats in die gemeenschap.” Daaronder vallen de Truman Doctrine, het Marshall Plan en eerder genoemde banken en internationale instellingen zoals de NAVO. 

“Om goede buren te hebben, moeten we zelf goede buren zijn,” zei Truman bij een conferentie van de VN. (p36,37) Hij besefte de mondiale verantwoordelijkheden van de VS en stond als “simple fellow from Missouri” zijn mannetje tegenover de elite van de Oostkust, waaruit zijn staf grotendeels bestond. En tegenover de Sovjet-Unie, die in toenemende mate als dreiging werd beschouwd. Rothkopf zegt er niet bij dat de Trumandoctrine als het begin van de Koude Oorlog wordt beschouwd.

De principes van zijn doctrine formuleerde Truman in een toespraak voor het Congres en de Senaat aldus: “Op dit moment  in de wereldgeschiedenis dient bijna elk land te kiezen tussen twee verschillende levenswijzen. Die keuze is maar al te vaak niet vrij.” Vervolgens plaatst hij vrije verkiezingen en vrijheid van meningsuiting  tegenover het ontbreken daarvan door onderdrukking. ”Ik meen dat het de het beleid van de VS dient te zijn  om vrije volken te ondersteunen die zich verzetten tegen gepoogde onderwerping door gewapende minderheden of druk van buitenaf... Ik meen dat we vrije volken moeten helpen om hun eigen bestemming op hun eigen manier uit te werken... Ik meen dat onze hulp primair door economische en financiële hulp dient te zijn die essentieel is voor de economische stabiliteit en ordelijke politieke processen.” (p41) 

Dit werd verder uitgewerkt in het Marshall Plan en genoemde instituties. “Zonder normale economische gezondheid kan er geen politieke stabiliteit of verzekerde vrede zijn. Ons beleid is gericht tegen geen enkel land of doctrine, maar tegen honger, armoede, wanhoop en chaos. Het doel is het herstel van een werkzame economie in de wereld om het ontstaan van politieke en sociale voorwaarden toe te staan waarin vrije instituties kunnen bestaan,” aldus Marshall. 

Niettemin was er onenigheid omtrent de aard van de nieuwe wereldorde tussen “de vrije wereld” en de "communistische wereld”. De Sovjet-Unie had een andere visie op de verdeling van macht en rijkdom en de rol van Rusland in de wereld. De Sovjetdreiging in Europa begon door te dringen bij de Amerikaanse regering door de informatie van de Russische ambassadeur Averell Harriman en zijn medewerker George Kennan. Het leidde onder meer tot de oprichting van de NAVO en de systematisering van het veiligheidsbeleid in de NSC. In onderstaande paragrafen wordt het veiligheidsbeleid onder de volgende presidenten samengevat.

 

 

Eisenhower en de Sovjet Unie

Onder het presidentschap van Eisenhower (1952-1960), voormalig opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten,  ontstond de positie van National Security adviseur als hoofd van de NSC met kabinetstatus. De NSC werd gesystematiseerd tot organisatie die verschillende, ook tegenstrijdige beleidsvisies verzamelde en voorlegde aan de president en zijn Planning Board. Hij werkte nauw samen met een kleine groep adviseurs om hem heen, zijn “inner circle’.

Eisenhower meende aanvankelijk dat vriendelijke relaties met de Sovjet-Unie mogelijk waren, maar ging als president over op “containment- en rollback-politiek” ten aanzien van de communistische dreiging in Korea, Cuba en elders. Een topontmoeting met Chroestjov werd gecanceld na het neerschieten van een U2 spionagevliegtuig boven de Sovjet-Unie. Het was een smet op zijn beheerste presidentschap en op de verhouding met de Sovjet-Unie. De Varkensbaai-invasie in Cuba, die mislukte onder Kennedy en de  Cubacrisis mogelijk maakte, werd door Eisenhower goedgekeurd.

 

 

Kennedy en Cuba

Kennedy won de verkiezingen van 1960 na een nipt verschil met Eisenhowers vice-president Nixon. Hij ontmantelde het NSC apparaat van Eisenhower, stelde McGeorge Bundy aan als nieuwe National Security adviseur en organiseerde een nieuw team om  hem heen in een informele nauw verbonden adviesgroep. Die ontmanteling was geen uitgesprokend succes. De mislukking van de invasie in de Varkensbaai werd ook toegeschreven aan gebrek aan deugdelijke informatie van de CIA en ondersteuning van de NSC, die door McBundy was gekortwiekt. 

Omdat Kennedy zich geen tweede mislukking kon veroorloven, was hij voorzichtiger wat betreft een invasie bij de Cubacrisis, toen de Sovjet-Unie kernwapens op Cuba installeerde. Hij volstond met een blokkade en diplomatiek overleg, dat een kernoorlog mogelijk heeft voorkomen. De inschikkelijkheid van Chroetsjov en het voorstel om de raketten van de VS uit Turkije te verwijderen in ruil voor het verwijderen van de raketten uit Cuba heeft de doorslag gegeven. Omringd door enkele heethoofden heeft Kennedy het hoofd koel gehouden en had hij in feite “een gebalanceerde visie” (p95) Opmerkelijk is de grote rol van zijn broer Robert (Bobby) als belangrijkste adviseur inzake veiligheid.

Het Vietnam debacle begon al onder Kennedy met foute inschattingen van de CIA en de NSC, die werden ingegeven door groupthink, arrogantie en anticommunistische retoriek. De Zuid-Vietnamese president Ngo Dinh Diem werd afgezet en vermoord door een coup van Vietnamese generaals met goedvinden van de VS, het begin van een opeenvolging van zwakke staatshoofden. Drie weken later werd Kennedy vermoord en nam vice-president Johnson de leiding over. 

 

 

Johnson en Vietnam

“Slechts een handvol  mensen onder de president domineerden de scene.” Defensieminister Robert McNamara was het meest invloedrijk  en “leidde de groupthink” (p100,101) Zijn tegenspeler was de minister van buitenlandse zaken Dean Rusk. Zijn onderminister van BZ, George Ball, was een dissidente stem, die zei dat de oorlog niet te winnen was en waarschuwde voor vele slachtoffers. Bovendien zou de Amerikaanse bevolking een lange oorlog met onduidelijke afloop niet blijven steunen. Ook de wereldopinie zou zich tegen de VS keren. Hij heeft gelijk gekregen.

“De Amerikaanse buitenlandse politiek faalde in Vietnam omdat... de inner circle van de regering... niet kon luisteren naar duidelijke waarschuwingen, geen duidelijke analyses in acht nam, niet geloofde dat er iets was dat de VS niet kon bereiken... Kortom, zij erkenden niet dat de machtigste land... zijn grenzen had.” (p 107) 

Johnson gebruikte een vertekend incident met een kruiser die werd aangevallen in de baai van Tonkin om  de oorlog te laten escaleren. De resolutie voor de goedkeuring van het Congres was al weken voor het incident geschreven.

 

 

Nixon en Kissinger

Nixon stelde in 1969 Harvardprofessor Kissinger aan als zijn nationale veiligheidsadviseur, die al adviseur was onder Eisenhower, Kennedy en Johnson. Hij had banden met de familie Rockefeller en “een wereldwijd netwerk van connecties”. (p110) Nixon en hij werden een invloedrijk tandem dat zijn weerga niet kende. Later werd Kissinger bovendien minister van buitenlandse zaken in een dubbele functie. Kissinger breidde zijn staf bij de NSC uit tot tachtig mensen en later groeide dit uit tot 150 leden. Hij schiep een structuur waarbij Nixon de besluiten nam op basis van zijn advies en analyses. Bij de voorbereiding benadrukte Kissinger een open debat met diverse opties, voor- en tegenargumenten en evaluatiecriteria. Beslissingsdocumenten werden voorafgegaan door studiedocumenten. Hij deed ook aan strategische planning op langere termijn.

Kissinger stond kritisch tegenover het beleid van wederzijds verzekerde destructie (Mutual Assured Destruction, MAD), als een ”hoogst onmenselijke strategie... onmogelijk te verantwoorden vanuit welk moreel of ethisch perspectief dan ook ongeacht de cultuur van oorsprong”. (p121) Nixon voelde zich er ook ongemakkelijk bij en wilde een alternatieve strategie laten onderzoeken, hetgeen op weerstand van de militaire establishment stuitte. Bovendien begon er overleg op het gebied van wapenbeheersing. Voorstandersdaarvan waren tegen verkenning en ontwikkeling van nieuwe wapensystemen gekant. Minister van defensie James Schlesinger stond ook sceptisch tegenover de MAD, ging mee met Kissinger en Nixon en wilde een andere strategie implementeren dan de suïcidale MAD strategie. Wapenbeheersingsoverleg werd voortgezet onder de presidenten Carter en Reagan.

Behalve wapenbeheersing en ontspanning (détente) wilden Nixon en Kissinger herstel van diplomatieke betrekkingen met China om Rusland in de kaart te spelen en betrekkingen te verbeteren, de oorlog in Vietnam beëindigen en orde op zaken stellen in het Midden-Oosten vanuit een bredere geopolitieke visie.

“Het is veel beter te praten met de Chinezen dan met ze te vechten,” zei Nixon met oog op de grootte van het land en zijn bevolking. (p129) Vanwege zijn anti-communistische imago kon Nixon het maken om toenadering tot China te zoeken zonder veel kritiek. Kissinger kreeg de geheime taak om diplomatieke betrekkingen te openen en een presidentieel bezoek aan China voor te bereiden. Na de geslaagde opening naar China kreeg Kissinger een superster status. Terwijl Nixon, wiens initiatief het was, te kampen kreeg met het Watergate schandaal, waardoor hij zich genoodzaakt zag om op te stappen. 

Nixon zag zich ook genoodzaakt om de niet te winnen oorlog in Vietnam te beëindigen, nadat protesten ongekende hoogten bereikten en meer dan 900 universiteiten werden gesloten wegens stakingen en studenten woerden gedood door de nationale garde. (p145)

 

 

Gerald Ford als overgangsfiguur

Na het ontslag van Nixon in 1974 werd vice-president Ford president. “Misschien de meest onderschatte president in de recente Amerikaanse geschiedenis” volgens Kissinger, die minister van BZ bleef, maar terugtrad als nationale veiligheidsadviseur ten gunste van zijn tweede man generaal Bent Snowcroft. (p152) George Bush sr. werd directeur van de CIA, de dienst die in Vietnam en bij Watergate had gefaald om tijdig juiste inlichtingen te verstrekken. Minister van defensie Schlesinger, die soms op gespannen voet stond met Kissinger, werd vervangen door Donald Rumsfeld. Ford was de opperbevelhebber, die de aanbevelingen van Kissinger beoordeelde en zich ook liet informeren door Snowcroft. Kissinger zette een stap terug en was niet meer het tandem dat hij met Nixon vormde, omdat Ford zich ook door anderen liet informeren.

 

 

 

Carter en Brzezinski

Ford verloor de verkiezingen in 1976 van gouverneur Carter uit Georgia. Het bitter verdeelde land zocht na het Vietnam-debacle en het Watergate schandaal naar vernieuwing, die Carter beloofde: “Het is een nieuwe wereld die roept om een nieuwe Amerikaanse buitenlandse politiek.” (p157) Zbigniew Brzezinsky, een Poolse immigrant en ex-collega van Kissinger aan de Harvard Universiteit, werd zijn veiligheidsadviseur in de door deze zo genoemde “technotronic era”. Hij was goed op de hoogte van ontwikkelingen in de Sovjet-Unie, sprak Russisch en zag daar reeds tekenen van verval. Terwijl Kissinger net als Spengler in Der Untergang des Abendlandes ook oog had voor het verval van het Westen en onzeker was hoe lang de toppositie van de VS nog zou duren. Tussen Carter en Brzezinski was een vergelijkbare chemie als tussen Nixon en Kissinger, maar meer vriendschappelijk dan bij de wantrouwige Nixon. Ze respecteerden elkaar.

Brzezinski was behalve Harvard professor ook directeur van de Trilaterale Commissie die ondernemers, regeringsvertegenwoordigers  en academici uit Europa, de VS en Japan met elkaar in contact bracht. Deze functie kreeg hij via David Rockefeller na zijn boek Between Two Ages. Deze commissie staat in de belangstelling van complottheorieën, evenals de Bilderberg conferentie en het World Economic Forum. Dit zijn belangrijke netwerken, maar te groot voor complotten, die volgens Rothkopf en Domhoff kleinere en meer besloten groepen vereisen.

Carter kwam uit voor zijn christelijke geloofsovertuiging en was een outsider uit het Diepe Zuiden. Ondanks zijn provinciale achtergrond als zoon van een pindaboer, was hij geïnteresseerd in buitenlandse politiek. Behalve met Brzezinsky werkte hij nauw samen met zijn vice-president Walter Mondale en zijn eigen vrouw Rosalynn, zoals Reagan later met zijn vrouw Nancy en Clinton en zijn voruw Hillary. De vrouw van Carters was zijn “meest nabije adviseur... Aanwezigheid van vrouwen op posities van hoog niveau was ook iets nieuws.” (p171,174)

Wapenbeheersingsoverleg werd voortgezet en resulteerde in het SALT-II verdrag in 1979. Carter verzamelde een aantal oude wijze mannen om zich heen als adviseurs, onder hen Kissinger. McBundy, voormalig minister van BZ Dean Rusk, onderminister George Ball, voormalig CIA directeur John McCone en anderen. De China-politiek werd moeizaam voortgezet. Taiwan bleef tot op heden een gevoelig (twist)punt, met name wat betreft wapenverkoop van de VS. Ook intern bleven er spanningen tussen sleutelfiguren “als bijproduct van getalenteerde mensen met grote ego’s”. (p194) En zoals eerder tussen de departementen van BZ, defensie en de nationale veiligheidsadviseur, die een integrerende taak had.

Het grootste succes van Carter was de doorbraak in het Arabisch-Israelisch conflict met de zgn.  Camp David akkoorden, mede dankzij de relatie tussen Carter en de Egyptische president Sadat “die ik meer zou gaan bewonderen dan enige andere leider”. (p195) In Iran zat het echter tegen. De sjah moest wijken voor het regime van Khomeini, de ambassade van de VS werd bezet en het personeel gegijzeld. Het kostte Carter zijn herverkiezing, want ze werden pas na ruim een jaar bevrijd bij de inauguratie van president Reagan begin 1981. Een riskante reddingsactie met helikopters mislukte toen een paar helikopters materiaalpech kregen en halverwege in de woestijn  bleven steken. Het zat Carter niet mee.

Carter werd als zwak en ineffectief afgeschilderd, terwijl hij “opmerkelijk veel had bereikt in een enkele termijn van vier jaar... Weinig presidenten hadden een vier jaar zoals Jimmy Carter – van het tekenen van het Panama Kanaal Verdrag tot de SALT II overeenkomst... van de normalisaties van de relaties met China tot de Camp David doorbraak.” (p108,109) Het onbevestigde gerucht gaat dat het Reagan campagneteam aan Iran communiceerde dat het in hun voordeel zou zijn dat de gijzelaars na de verkiezingen vrijkwamen.

 

 

Reagan en zijn stafchefs

Voormalig gouverneur van Californië Reagan was evenals Carter een buitenstaander. “’Reagan was veel verschuldigd aan Jimmy Carter.” (p108) Het team van Carter en Brzezinsky had oog voor de zwakte van de Sovjet Unie, waarmee Reagan zijn voordeel deed bij de wapenbesprekingen. De val van de Sovjet-Unie en het eind van de Koude Oorlog kwam niet door zijn toedoen, maar door interne zwakte. 

Reagan had een intuïtieve, delegerende, afstandelijke leiderschapsstijl met enkele focuspunten en weinig oog voor detail, terwijl Carter harde werker was met oog voor detail en een onderlegde geest. Toch zette Reagan in veel opzichten zijn politiek voort met een andere stijl. De NSC functioneerde op een laag niveau. De presidentiële staf van het Witte Huis op hoog niveau onder leiding van James Baker, die later minister van financiën werd. De adviseur van de president was Edwin Meese, die in Californië de staf van Reagan leidde. De nationale veiligheidsadviseur Richard Allen rapporteerde niet aan de president, maar aan Meese en had geen kabinetsstatus meer. Generaal Alexander Haig, de militaire stafchef onder Nixon,  werd minister van BZ. Het kabinet adviseerde de president, die twee “super”-assistenten had, die het rooster van de president bepaalden, kabinetsberaad en NSC bijeenkomsten planden. Zij namen de rol over die de nationale veiligheidsadviseur eerder had. 

Meese creëerde coördinerende commissies voor defensie, inlichtingen en buitenlandse zaken en daarnaast een comité voor crisismanagement onder voorzitterschap van vicepresident George Bush sr., die niet behoorde tot de inner circle van de president. Verder zag een National Security Planning Group het licht en een Special Situations Group. Nationale veiligheidsadviseur Allen had het nakijken. Temeer daar het ministerie van BZ over wapenbeheersing ging.

Toen Reagan bij een aanslag werd verwond, werd de vraag gesteld wie de leiding had. Minister  van BZ Haig zag zijn  kans en zei tegen de TV reporter: “I’m in control now” en passeerde de vicepresident. “Het was het begin van het einde van Al Haig... Hij was de enige die feitelijk verstand had van buitenlandse politiek.” Daarom bleef hij nog enige tijd. Onderminister rechter William Clark werd voorgesteld als mogelijke vervanger. Hij was aangesteld “om Haig in het oog te houden”, omdat hij loyaal was aan de president. Maar hij had weinIg verstand van buitenlandse politiek. (p225) Uiteindelijk werd Haig na confrontaties met Clark vervangen door George Schullz, minister van financiën onder Nixon. “Schultz geloofde in de macht van diplomatie.” Terwijl minister van defensie Caspar Weinberger wat dat betreft sceptisch was. (p228) Schultz continueerde de onderhandelingen op het gebied van wapenbeheersing, ondanks de skepsis van Weinberger.

“De zeventigjarige president was blijmoedig niet betrokken bij de lopende processen.... en vertrouwde de afhandeling van grote zaken toe aan zijn team... De president... stelde twee grote problemen vast... de economische situatie en... de Koude Oorlog... De antwoorden waren gefocust op... herstel van de economie en wederopbouw van de strijdkrachten [...en verder] doen herleven van de geest van het Amerikaanse volk en het herstellen van de positie van de VS in termen van wereldleiderschap.” (p223) 

“Ondanks zijn kritiek op Carter, deelde Reagans de interesse van zijn voorganger wat betreft het elimineren van kernwapens… ’Kernwapens zijn inherent slecht’,” had hij gezegd. “Reagan meende dat het verstandig was mensen tegen de consequenties ervan te beschermen.” (p234) Hij combineerde wapenbeheersing met onderzoek en ontwikkeling van strategische defensie tegen kernwapens (Star Wars). De nieuwe nationale veiligheidsadviseur McFarlane was daarvan ook een voorstander. “Het voorgestelde anti-raket systeem zag hij als krachtig onderhandelingspunt,” ook al diende zo’n systeem van strategische defensie nog te worden ontwikkeld. (p237) 

Reagan zei in een toespraak tot het Amerikaanse volk dat hij het gevaar van een kernoorlog wilde verminderen door wapenbeheersing en strategische defensie. Na de dood van Chernenko trof hij het met Gorbachev als nieuwe Sovjetleider, die door de aartsconservatieve Iron Lady Margaret Thatcher werd aanbevolen om zaken mee te doen. Het leidde tot een doorbraak op het gebied van wapenbeheersing en -reductie.

Een smet op zijn presidentschap was de illegale financiering van opstandelingen in Nicaragua tegen het socialistische sandinistische bewind met geld van wapenverkoop aan het regime van Khomeini. Het is onduidelijk in hoeverre Reagan hiervan op de hoogte was van dit zgn. Iran-Contra schandaal. Er rolden een paar koppen, verantwoordelijke personen werden ontslagen, onder hen de national security adviseur. In totaal volgden zes veiligheidsadviseurs elkaar op onder Reagan met generaal Colin Powell als laatste. Reagan had weinig greep op zijn regering met de elkaar bestrijdende ministers van BZ en defensie en een disfunctionele NSC. Het heeft zijn populariteit nauwelijks geschaad. Reagan staat bekend om zijn populistische koude oorlogsretoriek en psychologische oorlogsvoering tegen het “Rijk van het Kwaad”. Zijn opvolger, vicepresident Bush jr., de eerste president na de Kouder Oorlog, was meer pragmatisch.