Decadente schrijvers rond de fin de siècle
Deel 1. Inleiding: Thomas Mann als verbindende figuur

Civis Mundi Digitaal #144

door Piet Ransijn

Bespreking van Cor Hermans, De uitgewiste horizon. Europa’s obsessie met cultureel verval 1835-1914. Boom, 2023, derde druk.

 

Dit rijk geïllustreerde boek gaat over de late Romantiek en het begin van de twintigste eeuw. Een enerverende periode die voorafgaat aan de onze, waarin de industrialisering doorzet en de oude zekerheden van de Europese beschaving verdwijnen Een bijzonder interessante tijd van indistriële expansie encultureel verval. Het boek sluit aan bij de artikelenserie over de Romantiek in CM 110-114. Het sluit ook aan bij het boek van Andrea Wulf, Rebelse genieën, over de vroege Duitse romantici, dat zich beperkt tot de kring in Jena rond 1800,  besproken in CM 129.

Het boek van Hermans is geschreven aan de hand van portretten van de volgende schrijvers: Thomas Mann, Charles Baudelaire, Sören Kierkegaard, Gustave Flaubert, Richard Wagner, Iwan Toergenjev, Fjodor Dostojewski, Friedrich Nietzsche, Henrik Ibsen, Anton Tsjechov en Sigmund Freud. Een interessant gezelschap, waarbij elke schrijver is verbonden met een bepaalde stad en met Thomas Mann. Opvallend is het ontbreken van Britse schrijvers, terwijl Hermans boeken schreef over John Stuart Mill en Charles Darwin, die echter niet in dit decadente gezelschap passen. De schrijvers zijn hier anders dan de volgorde bij Hermans naar hun landen gegroepeerd.

Er zijn natuurlijk meer interessante personen uit die tijd, maar met nog meer schrijvers zou het lijvige boek van ruim 600 pagina’s te omvattend zijn geworden. Het gaat om 19e eeuwse schrijvers met wie Thomas Mann een band heeft als de centrale figuur in een veelomvattende boek, dat soms wijdlopig overkomt met veel details. Dat past bij die tijd en bij de 19e eeuwse romans. Het lijkt qua stijl vaak op een literair werk met treffende sfeerschilderingen, hoewel het cultuurgeschiedenis betreft. Verval is het centrale thema. Interessant is niet alleen hoe dit wordt beleefd, maar ook wat het antwoord kan zijn. Dat komt echter nauwelijks aan de orde.

Cor Hermans (1953) is historicus. Hij schreef onder meer over de moderne literatuur in het interbellum. Zijn onderzoek richt zich op de moderne Europese ideeëngeschiedenis en in het bijzonder op de interactie van filosofie, literatuur en historische ontwikkeling.

 

Wondereeuw of eindtijd?

Het boek begint met Thomas Mann (1875-1955), voorafgegaan door een inleiding met bovenstaande titel, die de tweeslachtigheid van die tijd treffend weergeeft en misschien ook op deze tijd van toepassing is. Het was vooral een tijd van “culturele neergang”, aangeduid met de termen verval en decadentie, terwijl er tegelijk een enorme technologische, wetenschappelijke en economische expansie plaatsvond, die haast niet bij te benen was. 

Wat hield dit verval in? Hermans noemt “imperiaal machtsverlies, biologische degeneratie, morele decadentie, kitscherige smakeloosheid, sociaal-culturele desintegratie, verlies van energie en het dominant worden van passieve waarden die apathisch maken, het om zich heen grijpen van (zelf)twijfel en ziekelijke nervositeit, het optreden van vervlakking waarbij superieure individuen en elites verloren gaan... Leven zonder glorende horizon in het late avondlicht.”

Als oorzaken gelden: “de nivellerende en individualiserende democratisering... de aantasting van kerkelijk en bijbels gezag... de modernisering, verstedelijking en massificatie... Deze verklaringen wijzen naar egalitarisme, versplintering, ontkerkelijking, het drukker en veeleisender worden van het bestaan en naar verweking in fysieke en mentale zin... een verwarrende diversiteit aan oorzaken.” (p14,15)

Nieuwe industriële en wetenschappelijke ontwikkelingen en kunstzinnige stromingen worden gedragen door de burgerij, die zich geleidelijk bevrijd van oude normen. Maar dit geeft ook onzekerheid, gebrek aan stijl en decadentie die samengaat met het verlies van de dominante positie van het christendom. Het burgerlijke en aardse pragmatisme vermag de leemte niet te vullen. De handelsgeest verschaft wel rijkdom, maar geen diepere zin aan het leven. “Haar materialistische beschaving... verkwanselt het cultuurideaal en verheft een ontzield bestaan tot norm.” (p17) In het commentaar komen meer sociologische achtergronden aan de orde.

Thomas Mann beschrijft en analyseert de decadentie en poogt deze halfslachtig te overwinnen, maar blijft steken in tweeslachtigheid, die ook eigen is aan de burgerlijke cultuur. Haar vrijheid geeft namelijk ook ruimte aan "destructieve invloeden die haar ondermijnen”, namelijk aan verval en hedonisme, hebzucht en pessimisme, angst en apathie. Genoemde schrijvers geven elk hun artistieke vorm aan het verval dat zij beschrijven.

 

https://www.thequizopedia.com/onthisday/borndetail/Thomas-Mann

 

Twee kanten van Thomas Mann

Thomas Mann heeft zijn contrasterende twee polen geërfd van zijn ouders. Zijn vader was een hoogburgerlijke welgestelde patriciër en vooraanstaand consul in de vrije stad Lübeck aan de Oostzee, ooit een stadsstaat en de leidende hanzestad. Hij werd gemotiveerd door Noord-Duitse plichtsbetrachting en verantwoordelijkheid, die Max Weber als telg uit een vergelijkbare hoogburgerlijke familie beschrijft in De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme

Manns moeder was een kunstzinnige Portugees-Brazilliaanse vrouw met een Zuid-Amerikaans temperament. Deze polariteit “loopt parallel met Nietzsches onderscheiding van de apollinische (epische) de dionysische (lyrische) prikkel tot artistiek scheppen.” (p47) Apollo is de god van de maat, Dionysos van de vervoering. Mann voelt zich een beheerste kunstenaar “die de vaste waardigheid van een burgerlijk leven nodig heeft”. (p48)

Mann beschrijft de geschiedenis van zijn familie in Buddenbrooks: Verval van een familie (1901). Dit familiale verval staat voor het verval van een beschaving. Hij kreeg daarvoor in 1929 de Nobelprijs, niet voor De Toverberg uit 1924, dat wordt beschouwd als zijn belangrijkste werk. Zijn vader overleed in 1891 op eenenvijftig jarige leeftijd, waarmee een einde komt aan het familiebedrijf, daar Thomas noch zijn broer zich geroepen voel om hun vader op te volgen, want het schrijverschap roept hen beiden. In 1933, het jaar dat Hitler de macht grijpt, emigreert Mann via Zwitserland naar Amerika en keert in 1952 terug naar Zwitserland tot aan zijn dood in 1955. De afstand van Duitsland vond hij “moeilijk te dragen, maar... waar ik ben is Duitsland. Ik draag de Duitse cultuur in mij" (Wikipedia). Al die tijd als banneling is hij Duitser gebleven “in culturele en geestelijke zin”, een Duits wereldburger. (p29,30) Zijn ambivalentie geldt ook het Duitse verleden, waarin de Bildung scherp contrasteert met het demonische noodlot. Dit thema werkt hij uit in zijn roman Doctor Faustus (1947) over een demonische kunstenaar, die overeenkomsten toont met Nietzsche.

Mann voelt zich een negentiende-eeuws vertegenwoordiger van de ”burgeradel” en de hoogburgerlijke beschaving, welke zich onderscheidt van de bourgeois cultuur van nouveau riches die niet naar Bildung maar naar kitsch, status en rijkdom streven met alle mogelijke middelen. “Zij blijven ver achter bij bij de hoge standaarden van de Buddenbrooks”, de “burgeradel” (p77,33). 

Het ‘grootburgerlijke’ en het ‘kleinburgerlijke’ vormen bij Mann een contrast tussen enerzijds Bildung, moraliteit en geestkracht en anderzijds materialistische kleingeestigheid en smakeloosheid. Hij blijft een patriciërszoon, deelt niet de egoïstische “beeldenstorm tegen gevestigde tradities en dus tegen het patriciaat” van de opkomde burgers. (p81) Zoals zijn vader als consul zijn hoogburgerlijke plichten betrachtte, neemt Mann zijn verantwoordelijkheid als schrijver tegenover het fascisme en nationaalsocialisme. 

“Voornaamheid, distantie, waardigheid, traditie,- en plichtsbesef, discreties, betrouwbaarheid en maathouden” noemt hij als waarden van het patriciaat waarin hij is opgevoed. Met andere termen: “Contenance (een waardige, eervolle houding), Coulance (tegemoetkomend zijn),  Pietät (eerbiedig-liefdevol in christelijke zin), Bonität (solide in betrouwbaarheid en kwaliteit).” (p81,82) Waarden die in verval zijn geraakt, maar niettemin hem blijven inspireren als tegenhanger van het kleinburgerlijke egoïsme en materialisme.

Ook Max Weber beschrijft aan het eind van De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme hoe deze geest en ethiek verwatert in het minder ethische moderne winstbejag. En Christopher Lasch beschrijft in The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy hoe ook moderne elites hun traditionele verantwoordelijkheid inruilen voor hebzucht en eigenbelang.

 

 

Handel, kunst, religie en mystiek

“Handel, kunst, religie en mystiek: Thomas Mann blijft gefascineerd worstelen met de onwaarschijnlijke melange van deze vier elementen.” (p46) In De Toverberg contrasteert hij “de eloquente Italiaan Lodovico Settembrini... representant van het humanistische Verlichtingsdenken, met zijn utilitaire geloof in maakbare vooruitgang [...met] de mystieke Oost-Europese jezuïet Leo Naphta.” De laatste ziet de mens als zondig en onvolmaakt, niet in staat “om zich van zijn duistere irrationele gedachten te bevrijden”. (p48) De jonge Hans Castorp wordt met beiden geconfronteerd en poogt zijn eigen weg van het midden te vinden, zoals ook Mann probeerde in zijn “geestelijke levensvorm” van humaniteit, Bildung, zelfbeheersing en geestkracht midden-in-de wereld.

De romans en verhalen van Mann worden vaak bevolkt door lebensunfähige lieden, die niet in staat zijn tot een normaal gelukkig leven en in “cynische vertwijfeling” hun vaak vroegtijdige einde vinden. Het thema van de dood is meeslepend aanwezig in het werk van Mann. “In zijn vroege romantische periode... interpreteert hij in navolging van Wagner het sterven als wederopneming in de eenheid van de natuur, als terugkeer in de kosmische moederschoot. Pas vanaf 1922 neemt hij afstand van het romantische sentiment, dat gepaard gaat met een onverzadigbaar heimwee naar de vergane werelden van het verleden. 

 

Thomas Mann en Richard Wagner

 

Schopenhauer, Nietzsche en Wagner

De Romantiek kenschetst Mann in zijn herdenkingsrede voor Nietzsche als Zauberlied des Todes, de magische bedwelming door de dood... Nietzsche... vertegenwoordigt voor hem de Romantiek van het leven, de Lebensbejahung, en kan, aldus Mann, daarmee de weg wijzen naar ‘het weer gezond worden van de Europese ziel’ door ‘de fundamentele ommekeer van de dood naar het leven’ – naar Lebensfreundschaft und Zukunft.” (p52) Ziehier een uitweg uit het verval.

In Buddenbrooks leest hoofdpersoon Thomas ademloos wat de filosoof Schopenhauer schrijft over de “transcendentie van het levenslijden door de dood... Sterven is een bevrijding... Niet het voortbestaan van het individuele ‘ik’ is waar het om gaat... het gaat om zijn voortbestaan in ‘het’ geheel, het Al van het leven. De dood is de poort die mij vrijlaat uit de gevangenis van mij ‘ik’ en me verlost van al mijn gesels en grenzen... ‘Roept op naar huis terug te keren en vrij te zijn’. De dood herenigt je weer met alles wat je niet bent, met al het menselijk potentieel... en hij weet: ondanks alles is de kiem van ‘het’ leven nog steeds in mij aanwezig – mijn aandeel in ‘het leven op zich’, het leven als universele ‘Wil’ – en de kiem is onverwoestbaar.” (p64-66). Niet lang daarna voltrekt zich zijn noodlot en sterft hij.

“In Manns synthese is het denken van Nietzsche, Schopenhauer en Wagner op één lijn gebracht, evenals hun ethos... Nietzsche... richt zich op het ombuigen van diens [Schopenhauers] pessimisme naar een heroïek van zelfoverwinning... Ook aanvaardt Nietzsche dat het beschouwende intellect van de mens en diens kunst de wereld kunnen transcenderen... Hij kantelt Schopenhauer, leest hem juist als de bevrijder van het leven.” Dat kan door ascese, die “de blinde drift van de levenswil kan transcenderen, dus overwinnen.” (p68,69) Dit overwinnen gaat bij Nietzsche gepaard met een “strijdvaardige houding”. Terwijl bij Schopenhauer de transcendentie beschouwelijk blijft in de stille resignatie van de wil in het Nirvana. Dit is hun antwoord op het verval. Het komt voort uit zelfinzicht en zelfoverwinning, niet alleen de berusting maar ook de bevestiging (Bejahung) van de levenswil. 

“Zijn  [Nietzsches] verheerlijking van het leven ten koste van de geest”... wijst Mann af. (p70) Hij verbindt juist het leven met de geest in zijn geestelijk leven (geistige Lebensform, p49), hoewel de polariteit ook voor Mann kenmerkend  blijft. De bijzondere betekenis van de mens in de natuur komt tot uiting “wanneer de mens zich richt naar het beeld van de filosoof, de kunstenaar en de asceet of heilige. Dat wil zeggen: wanneer hij waarheidslievend, scheppend en beschouwend is en niet rusteloos wordt voortgedreven door het najagen van eigenbelang. Het menselijk bewustzijn komt alleen tot zijn recht, wanneer de mens zich boven het tumult van de dagelijkse chaos weet te plaatsen en... de eenheid van al het zijnde weet te ervaren.” (p72) Het lijkt op een synthese van Schopenhauer en Nietzsche.

Mann raakte aanvankelijk in vervoering toen hij de muziek van Richard Wagner onderging, waarin cultuur en decadentie in de zin van ondergang elkaar vaak dodelijk omarmen. Deze muziek zal hem anders dan bij Nietzsche zijn leven lang blijven inspireren. Nietzsche nam afstand van Wagner, die hij decadent vond. Mann neigt in latere jaren naar het “episch symbolisme van Wagner”, dat in de boeken van Mann meer eigentijds herkenbaar is dan in de mythische en middeleeuwse werken van Wagner. (p73) Kenmerkend voor beiden is ook een zekere voornaamheid, die bij Wagner soms overdreven en zwaarwichtig overladen vormen aanneemt. Ook zien we bij beiden de “mystiek van het fatalisme”, die in Wagners muziek voortgolft als deining van eindeloze zee waarin het ‘ik’ van zijn helden en van de toehoorders uiteindelijk oplost.

 

 

 

Betrachtungen eines Unpolitischen

Thomas Mann is de verbindende figuur tussen de verschillende schrijvers in het boek van Hermans. Bij iedere besproken schrijver komt hij terug. Onderstaande besprekingen beperken zich echter tot de betreffende schrijvers en gaan slechts terloops in op Mann en zijn commentaren op hun werken. Ook het laatste hoofdstuk gaat over Mann. Over zijn Gedanken im Kriege aan het begin van de eerste wereldoorlog en zijn later tijdens de oorlog geschreven Betrachtungen eines Unpolitischen (1918).

‘Unpolitisch’ betekent aanvankelijk ook dat hij zich distantieert van democratisering, die leidt “tot het poltiseren van alles”. Mann gelooft niet zo in de politiek en “sociale vooruitgang via ‘verlichte’ opvattingen en gedragingen... die zich hierbij richten naar universele normen die de ware ‘mensheid’ definiëren... Wel laat hij zijn principiële afkeer van de democratische republiek vanaf 1919 geleidelijk varen, waarna hij... naar buiten begint te treden als steunpilaar van ‘Weimar’.” (p483-485)

Aan het begin van de oorlog werpt hij zich op als “verdediger van de Duitse zaak”. En vooral ook van de Duitse cultuur, die zich volgens hem onderscheidt van andere Europese naties en die hij tussen de West-Europese en Oost-Europese slavische cultuur plaatst. De oorlog is te beschouwen als een culminatie van het verval, de ondergang van het oude Europa, maar ook als een kentering en “reiniging” met daarna een nieuw begin. Mann ziet de oorlog vooral als een “cultuurconflict”. 

“Duitslands speciale missie is het om de eigen cultuur... zuiver te houden.” Dat wil zeggen dat het Duitse accent meer ligt op het gevoel en “het gepassioneerde en intuïtieve driftleven” dan op de rede. Hij noemt “de Duitse ziel’ later faustiaans. Het komt overeen met de Romantiek, die vooral in Duitsland een volksbeweging werd, versus de Verlichting, hoewel deze ook doorwerkt tijdens de Romantiek. Mann meent dat het vitale Duitsland Europa “een  nieuwe richting” kan geven. (p477-479) Maar dat valt tijdens en na de oorlog tegen.

In zijn Betrachtungen zoekt hij een nieuwe realistische positionering, die hij laat aansluiten bij “de negentiende eeuw met zijn realiteitsgezinde mentaliteit” (p484) zoals gezegt ziet hij weinig heil in politiek, die vaak gekoppeld is aan een “seculier geloof”, dat niet past bij Duitsland. “De Duitse ziel is waarlijk faustiaans, donker, abgründig, dat maakt haar afkerig van de oppervlakkige westerse verbeterdrift.” Het vooruitgangsgeloof botst vaak met “noodlottige feitelijkheid” en met het decadentisme dat het eind van de 19e eeuw kenmerkt. (p486)

In het spoor van Nietzsche plaatst hij het werkelijke leven tegenover het intellect en het ‘wensdenken’, “een bedachte wereld, een illusiewereld van woorden, idealen, ideologieën, politieke abstracties, artistieke dromen en andere hersenspinsels... Het verval en de degeneratieve ‘ontaarding’ horen bij de realiteit, bij de natuurlijke en historische fataliteit,” waarvoor aan het eind van de 19e eeuw veel aandacht was. (p487,489)

Mann plaatst de (vooral Franse en Europese) bourgeois tegenover de Duitse ‘Bürger’. “De bourgeois is de democratische en kapitalistische – stemmen en geldbiljetten tellende en sociale vooruitgang predikende – burgermens, die zijn individualisme en de veiligheid van zijn bezit viert in massale gelijkvormigheid en gelijkgestemdheid... De ’Bürger’ is hierbij conservatief-realistisch en cultuurlievend, behoedzaam ondernemend... wortelt in de eigen lokale gemeenschap [...en] gelooft in universele menselijkheid (en is in die zin wereldburger), maar verwerpt de universele mensheid van de bourgeois als een abstract concept.” Zo zoekt Mann in de twintigste eeuw aansluiting bij zijn 19e eeuwse hoogburgerlijke afkomst en achtergrond en plaatst hij “zijn eigen lotgevallen [in] de diepere rede van de geschiedenis”. (p489)

 

 

Spengler en Der Untergang des Abendlandes

Vlak na de oorlog verschijnt het geruchtmakende visionaire boekDer Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler, waaraan hij al was begonnen voor de oorlog, die eigenlijk zijn these bevestigt. Mann is er diep van onder de indruk, maar distantieert zich later van deze “decadentiefilosofie” na o.m. een ontmoeting met de socioloog en historicus Max Weber in 1919, die het weinig wetenschappelijk onderbouwd vond.

Spengler beschouwt culturen als organismen die fasen van groei, bloei en verval doormaken. De moderne Europese civilisatie verkeert in verval. Mann “meent in Spengler een medestander te hebben voor zijn eigen principiële afwijzing van de moderne civilisatie.” Maar Spengler ziet deze als een onvermijdelijke fase die zich zal doorzetten volgens zijn gefaseerde conceptie. In het eindstadium wordt een cultuur "gedomineerd door rationalisatie, bureaucratisering, technologisering, urbanisatie, massificatie, verwetenschappelijking, ongodsdienstigheid en door ontaarde vormen van liberalisme, kapitalisme en labiele democratie.” (p493)

Mann beschouwt de Duitse cultuur hiervoor juist als alternatief en ziet dit alles niet als onvermijdelijk. Dat betekent niet dat Spengler deze onvermijdelijke fase onkritisch aanvaardt. Een faustische beschaving als Europa “is niet goed in staat om zijn eindigheid te aanvaarden. Met name in haar laatste periode drijft de Avondlandcultuur op de trotse illusie dat zijn waarden en doelen vertegenwoordigt die ‘eeuwige’ waarheden zijn (zoals de rechten van de mens), terwijl deze waarden in werkelijkheid historisch begrensd zijn.” (p495). 

Naast het faustische cultuurtype onderscheidt Spengler het apollinische of antieke cultuurtype, waarin de esthetiek centraal staat en het magisch-religieuze type, “waarin de cultuur een geloofsgemeenschap is waarvoor de weg naar het heil allesbepalend is”. Dat geldt bijv. voor het christendom. Het faustische type “wordt beheerst door een permanent opwaarts streven, een pathos van het weidse en verre perspectief... hoge waardering voor de daad, met name de grootse daad van het grootse individu. De moderne, gemechaniseerde arbeid met zijn hyperactiviteit is weliswaar een uiting van het faustische streven, maar ook een degeneratie ten opzichte van de verheven dadendrang van de echte faustische cultuurdragers.” (p495-96) Daarbij is er een collectief willen en vaak een zekere volgzaamheid onder strakke leiding. 

Voor de laatste fase geldt volgens Spengler een toenemende ontworteling, kosmopolitisme en thuisloosheid. Nationale idealen worden ingeruild voor ahistorische universele ideeën “een abstracte rechtvaardigeheid”, die de eigen cultuur verzwakken. In wereldsteden geldt “de heerschappij van het geld en van de techniek… via de democratie zijn de oudere politieke vormen geïnfiltreerd door economische machten.”

Mede door de macht van het geld kunnen individuen grote macht krijgen die op gespannen voet kan staan met grondwettelijke machten en rechten. Uiteindelijk kan e“n "persoonsgebonden despotie van een of enkele machthebbers, die... heersen  over de ‘vormloze bevolking’ die resteert  na ‘’het verval van de naties van binnenuit.’” Hij noemt dit “ceasarisme”. (p497)

 

 

Faustische invloeden in De Toverberg

Ondanks zijn distantiëring van Spengler werkt diens visie bij Mann door in bijv. De Toverberg (1924).Hoofdpersoon “Settembrini denkt faustisch: hij gelooft in vooruitgang door arbeidsinspanning, in een op de ratio gegrondveste progressieve daadkracht.” Zijn tegenspeler Naphta heeft een mystieke geest met een apocalyptische visie. “Zijn hart ligt bij de middeleeuwen.”

De faustische ziel streeft “voorbij alle zintuiglijke beperkingen naar het oneindige.” (p498,499) In die zin is de gotiek met haar kathedralen faustisch, in een eerdere fase dan bij het verlichtingsvisie van Settembrini. In zijn hyperactieve dadendrang verkoopt de faustische mens in een latere cultuurfase zijn ziel als het ware aan de duivel.

De derde hoofdpersoon, de jonge Hans Castorp, zoekt een middenweg tussen beide kemphanen en hun fascinerende discussies. “Moet de westerse mensheid vooral hard werken en produceren, of juist veel meer tijd besteden aan beschouwing, in een nieuw vita contemplativa?... Inzetten op...beheersen van de werkelijkheid, of heeft haar ziel juist dringend behoefte aan een nieuwe vorm van religiositeit?...Kaarten zetten op... vrije competitie, of is zij meer gebaat met ware gemeenschappelijkheid, met eenheid van streven?” (p500)

Castorp realiseert zich dat “tegenstellingen slechts bestaan door toedoen van de mens en in diens bewustzijn. In de natuur... zijn bijvoorbeeld leven en dood onderdeel van een groot continuüm... ‘’De mens heerst over tegenstellingen’... dankzij de vrijheid van zijn geest... Ik wil de dood niet laten heersen over mijn gedachten’, concludeert Hans.”  Hij neemt afstand van het “mensvijandig’ denken” van Naphta en laat zich bezielen door “de liefde voor het leven”. 

 

Goethe en het evenwichtige midden

Mann en Castorp laten zich inspireren door Goethe “voor wie de Geist der Liebe als kosmisch beginsel geldt... Humaniteit, leven, liefde, Homo Dei, Europa: het zijn synthetiserende begrippen, die pas  na... eindeloos uitgemolken tegenstellingen een bepalende rol gaan spelen in het denken van Mann... In het wezen van zijn humaniteit ligt een goddelijke dimensie opgesloten... Goethe is in bijna alles het tegendeel van het decadentisme in de literatuur.” (p502,503)

Goethe is de verpersoonlijking van burgerlijke deugden zoals werklust, gematigdheid, orde en regelmaat en zoekt het evenwichtige midden, ver van de politiek en Duits nationalisme als een wereldburger. Mann “realiseert zich dat de ‘onpolitieke’ opstelling van de Duitse burgers (die ook de zijne was geweest) in haar fatalisme tegenover de heersende machten onhoudbaar is geworden.” 

Mann kiest voor de democratie als “medestander van de Weimarrepubliek”. Hij combineert dit met zijn sympathie voor de volksgemeenschap en “de eenwording van persoon en collectieve omgeving”, zoals tijdens de Romantiek. “’Democratie’ wordt zo bij Mann bovenal romantisch gemeenschapsbesef met humaniteit als het centrale begrip.... Mann doelt hiermee op complete menselijkheid: niets menselijks is ons vreemd.” (p504,505, verwijzend naar zijn lezing uit 1932 Goethe als Repräsentant des bügerlichren Zeitalters)