De betovering van de wereld om ons heen
Deel 1: Een andere vorm van waarnemen van de natuur

Civis Mundi Digitaal #145

door Piet Ransijn

Bespreking van David Abram, The Spell of the Sensuous. Perception and Language in a More than Human World. New York, Vintage Books, Penguin/Random House, 1997, 2017.

Dit boek van Abram bestrijkt diverse terreinen: ecologie, antropologie, filosofie en linguïstiek, religie en magie. Het is vaak lyrisch geschreven maar tegelijk onderbouwd en wetenschappelijk. Het beschrijft de ‘meer dan menselijke wereld’, die we om ons heen kunnen waarnemen in zijn onuitputtelijke manifestaties. Evenals natuurvolken beschouwt Abram deze wereld als een bezield en intelligent geheel. Niet als een zielloos mechanisme. In die zin is het boek verwant met Het betekenisweb van Jeremy Lent, Bantoe-filosofie van Placied Tempels, Primitive Man as a Philosopher van Paul Radin en andere werken (zie CM 141,142).

De auteur

Abram werkte samen met geoloog James Lovelock en biologe Lynn Margulis, die de Gaia-hypothese van het intelligente ecosysteem van de aarde gestalte gaven. Hij combineert fenomenologie met ecologie en antropologie en is mede-oprichter en directeur van de Alliance for Wild Ethics (AWE). Hij bepleit zowel op subjectieve als op wetenschappelijke gronden een nieuw soort animisme, dat de wereld als bezield ziet. Hij werd daartoe mede geïnspireerd door zijn veldwerk bij inheemse volken in Bali, Shri Lanka en Nepal en zijn studie van de ecologie en andere kennis van natuurvolken, die de wereld anders waarnemen en beschrijven dan wij in het Westen gewend zijn. Zij zijn sensitief voor zaken die geïndustrialiseerde volken niet meer zien en zijn meer verbonden met de natuur, die wij in het Westen hebben geëxploiteerd. Van deze volken kunnen we veel leren, zoals Abram laat zien, zonder ze te willen idealiseren zoals bij Rousseau met zijn ‘edele wilde’. Beiden zijn echter geneigd het voorbeeldige karakter van natuurvolken te benadrukken, waarop wellicht wel, iets valt af te dingen.

Antroploog André Köbben beschrijft bijv. in Van primitieven tot medeburgers diverse nogal bizar overkomende profetische bewegingen, die niet tot voorbeeld strekken. In Kampvuren langs de evenaar schrijft de Belgische arts Paul Juliën hoezeer mensen daar in de greep van de angst voor allerlei magische machten en krachten leven, die ze ook  tegen elkaar kunnen gebruiken. Zijn landgenoot Placied Tempels onderscheidt in Bantoe-filosofie echter “gedegenereerde Bantoe-wijsheid” van “hun  oorspronkelijk zuiverder ontologie”. Een dergelijk onderscheid ontbreekt bij Abram, die dit in verband brengt met het dualistische christelijke wereldbeeld van missionarissen en antropologen, die vandaaruit de inheemse voorstellingen zouden ‘hinein interpretieren’. Dat doet Abram ook, maar dan vanuit een fenomenologisch en een animistisch kader, waarin de natuur bezield is. In het commentaar komt zijn benadering nader aan de orde. 

David Abram 

Doelstelling

Vandaag de dag participeren we meer dan ooit in een door mensen gemaakte wereld in plaats van de natuur als een ‘meer dan menselijke wereld’, waarvan we vervreemd lijken geraakt met als begeleidend verschijnsel een levensbedreigende milieuvernietiging. Doof geworden voor de stem van de natuur verliezen we de wederkerige relatie met de natuurlijke omgeving waarin we ingebed blijven, ook al hebben we daarvoor weinig oog meer. Het gemechaniseerde en geautomatiseerde genot en comfort kan echter het contact met de levende natuur en het “meer-dan-menselijke-mysterie” niet vervangen, dat ongeacht alle technologie onze vitale ondergrond blijft.

Het boek van Abram heeft als doelstelling: “het verschaffen van begripsmatige gereedschappen aan natuurbeschermers, ecologen, (veld)biologen, ecologische activisten, “en alle anderen... die de huidige vervreemding van de bezielde aarde willen verminderen”. 

Verder wil hij wetenschappers en docenten bereiken met zijn “nieuwe denken”. Vandaar het academische gehalte van zijn werk, dat vooral aansluit bij de fenomenologie als “de studie van de directe ervaring”, waarbij “de vergeten relatie met de omvattende aarde” een centrale rol speelt, een relatie die hij wil herstellen. (p x,xi)

 

https://www.werkaandemuur.nl/nl/werk/Zonsopkomst-en-Mist---Magie-in-het-Heuvellandschap/1206061 

Magie van de natuur

Na zijn voorwoord begint Abram met het beschrijven van zijn kosmische ervaringen in een persoonlijke inleiding met als titel ‘De ecologie van het magische’. Daarbij lokaliseert hij het magische en zogenaamde ‘bovennatuurlijke’ in de natuurlijke wereld, niet erbuiten of erboven. Bij de beleving van de sterrenhemel op Bali “was ik niet langer beneden de nachtelijke hemel, maar ook erboven,” als het ware gewichtloos door de ruimte zwevend, net als de vuurvliegjes die zich mengden met de sterren. (p4) Het lijkt een verenigende ervaring waarbij hij voorbij de grenzen van het ego treedt.

Abram nam daar ook deel aan rituelen en ceremonies van de plaatselijke magiërs en “onderzocht het verband van magie met de bezielde wereld van de natuur”. Deze magiërs waren ook genezers aan wie bepaalde krachten werden toegeschreven. Daarom waren mensen beducht voor hen. Hij heeft echter nooit gezien dat ze hun magie schadelijk gebruikten. Ze woonden vaak aan de rand van de gemeenschap, dichtbij de natuur en bemiddelden tussen de gemeenschap en het omvangrijke krachtenveld van de ‘meer dan menselijke wereld’ van de natuur. Ze hadden oog voor onevenwichtigheden bij zieke mensen, die werden toegeschreven aan demonische invloeden in hun lichaam en in “de gemeenschap, die in een groter krachtenveld was ingebed”. (p7,8) 

Vanuit het wetenschappelijke en dogmatisch christelijke  wereldbeeld van antropologen en missionarissen was er vaak weinig oog en geen voeling voor een niet fysische wereld voorbij de natuur, die als ‘bovennatuurlijk’ werd  beschouwd. Naar de bevindingen van Abram behoren dit zogenaamde bovennatuurlijke tot de natuurlijke wereld, die voor een groot deel niet waarneembaar is en aan onze geconditioneerde zintuigen onttrokken is. 

“Traditionele magiërs hebben het vermogen gecultiveerd om uit hun gewone bewustzijnstoestand te treden om contact te maken met andere organische vormen van sensitiviteit en bewustzijn waarmee het menselijk bestaan verweven is... Door verandering van de gewone organisatie van zijn zintuigen zijn zij in staat in verbinding te treden met de veelvormige niet-menselijke gevoeligheden die het plaatselijke landschap bezielen... Kenmerkend voor de sjamaan kunnen we het vermogen beschouwen om uit de beperkingen van de waarneming te treden die door zijn cultuur zijn gedemarkeerd in gewoonten, taboes en het meest algemeen in de gangbare spraak of taal... Zijn magie is een verhoogde ontvankelijkheid voor de doorgevingen van het meer omvattende meer-dan-menselijke gebied in de gezangen, kreten en gebaren” van dat natuurlijke gebied, dat als bovennatuurlijk werd beschouwd. (p9)

“Magie is welklicht in zijn oorspronkelijke zin de ervaring van het bestaan in een wereld van veelvormige intelligenties... van andere vormen met ervaring, entiteiten met gevoelens die heel anders zijn dan die van ons... De magiër... zendt zijn bewustzijn in andere dimensies op zoek naar inzicht en ondersteuning.” Die worden in het dualistische christendom als bovennatuurlijk gezien vanuit een verloren wederkerigheid met de bezielde aarde, waarbij hemel en aarde zijn gescheiden. “In de werkelijk orale inheemse culturen blijft de zintuiglijke wereld de verblijfplaats van de goden, de numineuze machten die het menselijke leven kunnen ondersteunen of wegvagen.” (p9,10) 

“De meeste inheemse tribale volken hebben niet zo’n opvatting van een immaterieel gebied buiten de aardse natuur. Onze strikt menselijke hemelen en hellen zijn pas recentelijk geabstraheerd van de zintuiglijke wereld die ons omgeeft, het meer dan menselijke gebied met zijn overvloed aan gevleugelde, spleethoevige en andere intelligenties.” (p15) De magiër zendt zijn bewustzijn niet naar een bovennatuurlijke wereld, maar naar de subtiele gebieden van de meer dan menselijke wereld van de natuur. Betekent dit dat de zogenaamde ’buitenzintuiglijke waarneming’ of ‘extra sensory perception’ (ESP) eigenlijk verfijnde waarneming is van “meer subtiele dimensies” dan gewoonlijk worden waargenomen? 

Samenwerkende mieren. https://cfo.nl/artikel/lessen-van-een-mierenkolonie-voor-een-cfo

 Geesten, mieren en spinnen

In Bali werd rijst geofferd aan de ‘geesten’, die werd opgegeten door de mieren, die bij nadere beschouwing deze geesten (b)leken te zijn. Daardoor werden de mieren op afstand gehouden, van het huishouden. “Mijn ontmoeting met de mieren was de eerste van vele ervaringen die mij erop wezen dat de ‘geesten’ van een inheemse cultuur primair de vormen van intelligentie zijn die geen menselijke vorm hebben.” (p13). Met andere woorden de ‘meer dan menselijke wereld’. 

Er zijn andere vormen van sensitiviteit bij andere levende wezens, die wij niet kunnen bevatten. Wij weten bijv. niet hoe het voelt om een vleermuis te zijn en te kunnen waarnemen als een vleermuis die een ander zintuig gebruikt dan wij. Hetzelfde geldt voor walvissen en dolfijnen, voor honden met hun verfijnde reukorgaan, en voor alle levende wezens die zijn toegerust met andere vormen van waarneming dan de onze. Ook magiërs zouden toegang hebben tot andere vormen van waarneming en bewustzijn.

Overledenen gaan bij inheemse volken niet naar een hemel, maar “de dood initieert een metamorfose waarbij de aanwezigheid van een persoon niet ‘verdwijnt’ uit de waarneembare wereld (waar zou hij heengaan?) maar veeleer blijft als een bezielde kracht in de uitgestrektheid van het landschap, hetzij subtiel in de wind, of meer zichtbaar in dierlijke vorm... De recycling van mensen in de grotere wereld verzekert ons ervan dat andere vormen van ervaring die we tegenkomen – van mieren, wilgen of wolken – nooit absoluut vreemd zijn ten opzichte van 

onszelf. Ondanks de duidelijke verschillen in vorm, vermogens en wijze van bestaan blijven zij op zijn minst ver verwant, zelfs vertrouwd.” (p16)

Abram deelt nog andere ervaringen van intelligentie in de niet-menselijke natuur. Bijv. van spinnen die op ingenieuze en op elkaar afgestemde wijze hun web weven. Zij maakten hem attent op de “talloze werelden binnen werelden die in de diepten van deze wereld spinnen...  Ik leerde door oefening andere dimensies zintuiglijk binnen te treden. Het precieze en minuscule ambacht van spinnen kwam zozeer in het brandpunt van mijn bewustzijn, dat het mij leek dat webwerk van het universum, waarvan ik lichamelijk deel uitmaak, ook gesponnen wordt door een met hen vergelijkbare mysterieuze kunst.” (p19) Zo kent de natuur talloze ingenieuze intelligente patronen en processen, waarvan wij er tot dusver maar enkele hebben kunnen ontdekken, zoals ook Jeremy Lent deels heeft weergeven (zie vorig nummer 142). 

Disbalans, geweld en incoherentie

“De westerse industriële samenleving met zijn massale schaal en reusachtige gecentraliseerde economie kan nauwelijks meer worden beschouwd in relatie met een bepaald landschap of ecosysteem; de meer dan menselijke ecologie, die de biosfeer is, waarvan zij zich heeft losgemaakt.” De wederkerigheid is verdwenen en is uit evenwicht geraakt gezien de regenwouden die met duizenden hectare ieder uur verdwijnen en honderden soorten  die elke maand uitsterven als resultaat van de excessen van onze beschaving. (p21,22)

Gezien deze disbalans wekt het aantal epidemische ziekten geen verbazing, zoals disfuncties wat betreft immuniteit, kanker en wijdverspreide psychische stress, depressie en veelvoorkomende zelfmoorden en massamoorden door incoherent geworden personen. Het geweld dat wij de natuur aandoen en waarvan de ecologie van onze beschaving is doordrongen, ligt volgens Abram hieraan ten grondslag. 

“Alleen door dit [geweld] te verminderen kunnen wij het voorgaande genezen. Het klinkt op het eerste gezicht als een eenvoudige geloofsuiting. Het krijgt een uitdrukkelijke en duidelijke zinnigheid als wij onze diepgaande afhankelijkheid van talloze andere waarmee we zij geëvolueerd organismen in aanmerking nemen. (p22) We zijn onze meer dan menselijke matrix vergeten, en dit komt ons duur te staan. We zijn op talloze manieren verbonden met de bezielde aarde. Als we onszelf beroven van deze verbondenheid, beroven we onszelf van onze coherentie. We leven samen met een meer dan menselijke wereld, die we niet kunnen verwaarlozen zonder onszelf tekort te doen.

Terug in de VS verloor Abram geleidelijk zijn afstemming op het bewustzijn van de dieren en de culturen waarmee hij vertrouwd was geraakt, maar dit bleef doorwerken in zijn studie en natuurbeleving. “Het expressieve en sensitieven landschap vervaagde langzaam achter meer exclusieve menselijke belangen... alsof ik afgesneden raakte van vitale voedingsbronnen. ik acclimatiseerde in mijn eigen cultuur.” (p25)

Hij voelde een leegte en gebrek aan substantie. “Hoe kunnen we zo doof en blind zijn geworden voor het vitale bestaan van andere soorten en de bezielde landschappen die zij bewonen en die wij nu achteloos vernietigen?” (p27-28) Ons voedsel komt van reusachtige gemechaniseerde boerderijen die de toplaag van de aarde uitputten en dieren fokken om te doden met miljarden. De natuur is gedegradeerd tot middel voor de mensen. We hebben geen oog meer voor de betoverende charme van de natuurlijke wereld om ons heen en zijn daarvan vervreemd geraakt in een leegte die de overstelpende hoeveelheid goederen en hebbedingen niet kunnen vullen.

 

Edmund Husserl (1859-1938) 

Fenomenologie als ‘filosofie op weg naar ecologie’

Na zijn persoonlijke inleiding vervolgt Abram met een technisch-wetenschappelijke inleiding, die aanknoopt bij de fenomenologie van Edmund Husserl en vooral bij Maurice Merleau Ponty. Fenomenologie gaat uit van de directe menselijke ervaring, niet van begrippen en theorieën. De wereld is geen inert mechanisch object, zoals bij Descartes, maar een veld van “niet-theoretische, spontaan beleefde ervaring”. (p33)

Het is de cognitieve (neuro)wetenschap niet gelukt kwalitatieve ervaren eigenschappen zoals klank, kleur en geur uit kwantitatieve kenmerken en objectieve processen te verklaren (zie CM 109 en 130). Fenomenologie vertrekt vanuit de directe zintuiglijke ervaring die subjectief is. Dit subjectieve gebied van ervaringen “wordt bewoond door velerlei subjecten... is niet meer het geïsoleerde verblijf van een geïsoleerd ego, maar een collectief landschap, dat bestaat uit andere ervarende subjecten en wijzelf.” (p37) 

Niet alle ervaringen zijn collectief en intersubjectief, er zijn ook individuele ervaringen, zoals fantasie en (dag)dromen. De objectiviteit van de wetenschap is in feite intersubjectiviteit. Deze berust op een zekere consensus wat betreft aangenomen en gedeelde ervaringen in “een weefsel van individuele ervaringsvelden in een enkele voortdurend verschuivende samengestelde structuur, een enkele verschijnselenwereld of ‘werkelijkheid’ [...die] in stand wordt gehouden door voortdurende ontmoetingen met anderen.” (p39)

De gemeenschappelijke ervaringswereld noemt Husserl de ‘leefwereld’(Lebenswelt), een collectieve dimensie die relatief is en tegenstrijdig kan zijn vanwege de veelvormige ervaringen, die vooraf gaan aan  conceptuele systematisering en een open karakter hebben. Wij handelen vanuit de ervaring van deze leefwereld, die wezenlijker is dan wetenschap en daaraan voorafgaat. 

Volgens Husserl zouden er diverse culturele lagen in deze leefwereld zijn, die uiteindelijk zouden “berusten op een dieper meer verenigende leefwereld... onder al onze culturele verworvenheden, een uitgestrekte ervaringsdimensie die voortdurend over het hoofd is gezien maar niettemin onze veelvormige en niet onderling verbonden wereldvisies ondersteunt en in stand houdt.” 

Hij ziet bijv. de aarde als ons “oorspronkelijke huis... de geheimzinnige diepte van de leefwereld. Het is het meest onpeilbare ervaringsgebied voorbij  de structuur van een bepaalde cultuur of taal... de ‘wortel-basis’ van alle relatieve leefwerelden.” (p 41-43)

Husserl wilde de ervaringswereld verbinden met de wetenschap, die het contact daarmee soms verloren leek te hebben en verzandt leek geraakt in abstracties die een eigen leven gingen leiden en de leefwereld gingen domineren. 

Maurice Merleau-Ponty 

Merleau-Ponty: het lichaam en de waarneming

In De fenomenologie van de waarneming ontwikkelde Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) “een algemene filosofie van de menselijke existentie” die uitging van het lichaam en de leefwereld. Hij werkte samen met Sartre tot er een onherstelbare onenigheid ontstond. Zijn interesse ging ook uit naar niet-westerse culturen. Hij zocht naar een gemeenschappelijke basis voorbij de verschillen om via “een veld van verruimde ervaring en rede” door dialoog en “communicatie, leren van andere culturen [...en] werkelijke dialoog” nader tot een wereldbeschaving te geraken. (Douwe Tiemersma, Verdwijnende scheidingen. Proeven van intercultureel filosoferen, p72-75)

Merleau-Ponty verwerpt de notie van een transcendentaal ego voorbij de verschijnselen die het waarneemt en lokaliseert het waarnemende zelf in het lichaam, want zonder lichaam kunnen we niet waarnemen. Er is volgens hem geen immaterieel zelf onafhankelijk van het lichaam. Hij spreekt van “het lichaams-subject”. Dit impliceert geen reductionistische mechanistisch-materialistische visie. “Het bewustzijn wordt niet opgesloten in de dichtheid van een gesloten en beperkt object, want... de begrenzingen van een levend lichaam zijn open en onbepaald; meer als membranen dan als barrières, die een oppervlak van metamorfosen en uitwisseling bepalen... Het voelende lichaam is geen geprogrammeerde machine, maar een actieve en open vorm, die voortdurend zijn relatie tot de dingen en tot de wereld improviseert" (Abram, p45,46,49, zie ook Jeremy Lent, Het betekenisweb, besproken in CM142)

Via het lichaam en het daarin vervatte bewustzijn nemen we deel aan de wereld. Dat gebeurt door zintuiglijke waarneming. Ook het intellect bevindt zich in het lichaam en niet daarbuiten in een abstracte wereld van ideeën. Waarneming is een uitwisseling met de omgeving, “een soort stille conversatie die ik voer met de dingen, een voortdurende dialoog die zich ontvouwt voorbij mijn verbale bewustzijn... Als het voortdurende geklets van woorden in mijn hoofd verstilt, bemerk ik dat deze woordeloze dans gaat altijd al aan de gang was – dit geïmproviseerde duet tussen mijn bezielde lichaam en het vloeiende, ademende landschap dat het bewoont.” (p 52,53)

 

 

Bezieling, participatie en wederkerigheid

De waargenomen wereld is bezield. “De zintuiglijke wereld geeft terug wat ik eraan heb geleend, maar dit is wat ik eerst van haar nam... Zij ‘denkt zichzelf in mij,’ ik ben [bijv.] de blauwe hemel zelf als deze wordt bepaald en verenigd, en als deze op zichzelf begint te bestaan; mijn bewustzijn  is verzadigd met dit grenzeloze blauw...”

Er is een communicatie en symbiose met de wereld, “een diepgaande intimiteit van de preconceptuele relatie van het lichaam met de waargenomen dingen en krachten die het omringen.” De waargenomen dingen zijn niet passief, maar actief betrokken bij de waarneming die “bezit neemt van mijn zintuigen” en “zichzelf denkt in mij”. Ze werken bezielend als “dynamische aanwezigheid” van “bezield leven”. In onze directe ervaring is elk verschijnsel “een actieve, bezielde entiteit waarbij we betrokken zijn”. (p54-56). Waarneming is participatie, uitwisseling en wisselwerking. 

Levi-Brühl sprak van prelogische “mystieke participatie” die kenmerkend zou zijn voor de “primitieve mentaliteit”. “’Maar Levi-Brühl’s theorie van twee verschillende mentaliteiten wordt niet meer aangehangen. Het idee van een primitieve mentaliteit is voor het grootste deel een illusie gebleken. Deze beide [mentaliteiten, westers en niet-westers] zijn niet exclusief, maar aanvullend.” (Tiemersma, p56) Dat komt overeen met de visie van Merleau-Ponty, die zocht naar het gemeenschappelijke, ondanks de verschillen.

De zintuigen werken samen en zijn verweven met elkaar. Bij onze ervaring is er sprake van synesthesie. Dat wil zeggen dat we geluiden ook kunnen zien en kleuren kunnen horen en voelen. We spreken bijv. van ‘harde en zachte kleuren’. De zintuigen zijn verschillende modaliteiten van een levend lichaam. Zij werken complementair en interdependent, in wisselwerking met elkaar, waardoor de werkelijkheid als een geheel wordt waargenomen, als “een levend landschap”. 

Onze leefwereld bestaat uit een onderling verweven web van waarnemingen en ervaringen in een voortdurende stroom. In onze kunstmatige wereld vol artefacten die de natuurlijke wereld verdringen, is onze participatie daarmee minder direct geworden. We beleven bijv. door al het kunstlicht en verkeersgeraas niet meer hoe mooi de avond valt en de natuur met al zijn subtiele geluiden tot rust komt. Maar niettemin zijn wij een onderdeel van de biosfeer,  de levende werkelijkheid waarin we zijn ingebed en “die we ervaren en beleven van binnenuit door ons intelligente lichaam”. (p65)

De wereld is als het ware een collectief lichaam, een weefsel, matrix of landschap van onderling verbonden aspecten. Ons lichaam en de wereld, “het vlees van de wereld”, vloeien in elkaar over. De waarnemer en het waargenomen vormen een geheel. Wij zijn tegelijk subject en object. “Iedere zichtbare, tastbare vorm die mijn blik ontmoet, kan ook een ervarend subject zijn, dat sensitief en responsief is ten opzichte van de omringende wezens en naar mij.” (p67)

“Wij kunnen dingen waarnemen omdat wij deel uitmaken van de wereld  die we waarnemen! We kunnen ook zeggen dat we de organen van deze wereld zijn... en dat de wereld zichzelf ervaart door ons.” (p68) Er is sprake van wederkerigheid. Bij inheemse culturen heeft het bos bijv. ogen. De omgeving is persoonlijk, levend aanwezig en voelt onze aanwezigheid. Zij dient dus met respect te worden behandeld. Hieruit kan een nieuwe “omgevingsethiek” voortvloeien, niet alleen wat betreft “onze medemensen, maar ook wat betreft het leven en welzijn van de overige natuur”. (p69) Dit kan in wettelijke structuren vorm krijgen, maar primair is de waargenomen dimensie van wederkerigheid en empathie met het levende land dat ons in stand houdt. “Als je verkeerde dingen tegen het land doet, weet en voelt het hele land wat met haar gebeurt,” volgens een Koyukon-indiaan uit Alaska. (p70) We leven in een bewuste kosmos en dienen onze wederkerige relatie met de ons omgevende krachten van de aarde en het hemelruim aan te passen en te vernieuwen.