Deel 3: Commentaar: herstel van onze verbinding met de natuur en het bovennatuurlijke

Civis Mundi Digitaal #145

Om de vervuiling aan banden te leggen is meer nodig dan een andere natuurbeleving

https://hmjvandenbosch.com/2017/11/11/bedrijfsleven-en-milieu-een-moeizame-relatie/ 

De betovering van de wereld om ons heen 

Deel 3 Commentaar: herstel van onze verbinding met de natuur en het bovennatuurlijke

Piet Ransijn

Vooral natuurliefhebbers kunnen in het boek veel herkennen, bijv. de verbondenheid met de natuur, die als bezield wordt ervaren en niet als mechanisch, en de communicatie van en met andere levende wezens. Het gezang van de bomen en struiken, de taal van de vogels en andere dieren, de schoonheid van het landschap. De lucht die ons adem is. De aarde die ons draagt. Het verfrissende water en het verwarmende vuur. De dieren en planten als medebewoners. De problematiek van de natuurvernietiging. Het herstel van de harmonie met de levende omgeving. Dit vraagt zorgvuldige omgang met techniek en industrie. Een mes kan ons verwonden en voedsel bereiden. Techniek heeft een creatieve en destructieve kant, afhankelijk van hoe we ermee omgaan. 

Ideële en materiële factoren, natuurbeleving en economie

Modernisering, industrialisering en onttovering van de wereld zijn complexe processen met diverse in elkaar grijpende factoren, zoals Max Weber en andere sociale wetenschappers beschreven, die andere aspecten belichten dan David Abram. Bij sociale verandering zijn globaal genomen materiële en ideële factoren te onderscheiden, die in elkaar grijpen. Enerzijds economische en technologische factoren, anderzijds factoren als wereldbeschouwing, levensvisie, wetenschappelijk denken, normen, waarden en ethiek. Ook hier zien we een dualistische visie die vraagt om een meer geïntegreerde benadering.

Volgens Marx bepaalde het ‘maatschappelijk zijn’, de economische onderbouw, het bewustzijn en de ideële bovenbouw. Maar zo simpel blijkt het niet te zijn. Er is een wisselwerking, zoals Weber en anderen laten zien. Wetenschap en wereldbeeld zijn van grote invloed op economie en technologie, alsmede het collectieve bewustzijn .

David Abram benadrukt ideële factoren zoals natuurbeleving en levensvisie en vooral taal en perceptie, volgens zijn ondertitel, die het onderwerp afbakent. Andere factoren noemt hij slechts. Het is ook van belang na te gaan hoe de diverse factoren op elkaar inwerken. Bijv. hoe taal en perceptie met economische factoren in wisselwerking treden.

Het wetenschappelijke wereldbeeld heeft de industriële revolutie mede mogelijk gemaakt, die een verstrekkende en vernietigende invloed heeft op onze leefomgeving. Het alfabetische schrift heeft wetenschap en abstract denken bevorderd, maar op zich genomen niet geleid tot natuurvernietiging. Wel tot een andere houding tegenover de natuur, die daarmee samenhangt. De industrie heeft een enorme invloed op de natuur. Bij zijn focus op het alfabet en de perceptie van de natuur gaat Abram voorbij aan de ingrijpende economische factoren, die buiten het bestek van zijn boek vallen.

De vraag is in hoeverre de ecologische crisis is op te lossen door een andere levensvisie en natuurbeleving. Er zullen ‘harde noten’ gekraakt dienen te worden op het gebied van economie, technologie, die de vervuiling van de natuur en de atmosfeer verminderen. Dat vraagt inderdaad een andere levenswijze in samenhang met een milieuvriendelijke economie en technologie. Milieubewust omgaan met de natuur vraagt een ander bewustzijn en gedrag, dat echter als zodanig niet genoeg lijkt om economische veranderingen te bewerkstelligen. Daarvoor dienen effectieve en doortastende maatregelen genomen te worden om de vervuiling en natuurvernietiging tegen te gaan.

Het boek van Abram vormt een welkome bijdrage in het koor van ecologen, filosofen, activisten en andere groeperingen. Het legt interessante accenten, maar biedt geen toereikende oplossing voor de ecologische crisis. Daarvoor is volgens Jeremy Lent (zie vorig nummer) een algehele transformatie nodig van onze economie, industrie en levenswijze en harmonisering met de levende omgeving, zoals Abram op zijn manier bepleit. 

Het natuurlijke en bovennatuurlijke

De focus op taal en perceptie brengt met zich mee dat Abram zich richt op het zintuiglijk waarneembare. Hij verwerpt de notie van het bovennatuurlijke als een voortvloeisel uit het dualistische Griekse en christelijke wereldbeeld van missionarissen en antropologen. Zij zagen religie en magie zagen als uitingen van een geloof in het bovennatuurlijke en bovenzinnelijke of transcendente. Abram daarentegen beschouwt dit domein als een subtiele zintuiglijke werkelijkheid, die waarneembaar is als het zintuiglijk bereik wordt uitgebreid en de waarneming met magische en meditatieve methoden wordt verfijnd. Maar dan nog blijft er een gebied dat niet waarneembaar voor ons is, dat kwam in de inleiding al naar voren.

In Religion in Primitive Society waarschuwt Edward Norbeck voor etnocentristische interpretaties vanuit christelijke en westerse gezichtspunten. Religie brengt hij evenals Emile Durkheim en Mircea Eliade in verband met het onderscheid in het natuurlijke en het bovennatuurlijke. “De meeste zo niet alle volken maken een dergelijk onderscheid tussen de objecten, opvattingen en gebeurtenissen in de gewone dagelijkse wereld en die welke de gewone wereld transcenderen.” (p11) Religie definieert hij in termen van ‘supernaturalisme’. Het heeft te maken met het bovennatuurlijke, buitengewone, mysterieuze en onverklaarbare, ook met het niet-waarneembare en buitenzintuiglijke, onder andere “met het zoeken naar de heilige graal die eeuwig op afstand blijft” in poëtische christelijke termen. (p3) 

Het natuurlijke en bovennatuurlijke zijn bij andere volken niet zo streng gescheiden als in het christendom en de islam, waar God boven en buiten de wereld is geplaatst, maar beide realiteiten zijn met elkaar verbonden in een soort gelaagde werkelijkheid, die zich voor een groot deel aan onze zintuigen onttrekt. 

 

Emile Durkheim gaat in Les formes élémentaires de la vie religieuse (1912) uit van een onderscheid in het heilige en wereldse. Hij verwerpt de notie van het mysterieuze als niet primitief en oorspronkelijk maar van latere datum. Ook de tegenstelling tussen rationeel en irrationeel acht hij opgelegd en van westers origine. Zgn. primitieve volken blijken een buitengewone empirische en redelijke kennis te hebben van hun natuurlijke omgeving en de planten en dieren die daarin voorkomen en blijk te geven van praktisch logisch denken.

Een verwant onderscheid bij ‘primitieve’ of elementaire religies is dat tussen naturisme, dat met natuurkrachten te maken heeft, en animisme, dat met “geestelijke wezens”, geesten, zielen en demonen te maken heeft. (p48) Beide gaan in elkaar over en zijn volgens Abram in zijn vorm van animisme en naturisme niet of nauwelijks te onderscheiden. Het onderscheid tussen het heilige en het profane lijkt ook voor een groot deel ingegeven door het westerse analytische en christelijke denken. Deze termen hebben volgens Norbeck “storende emotionele connotaties en weerspiegelen christelijke religieuze ideeën”. (p10) 

Het mysterieuze en numineuze

De accentuering van het mysterieuze en ondoorgrondelijke lijkt verband te houden met de Romantiek, toen het gevoel voor het oneindige en onvatbare en de belangstelling voor andere volken naar voren kwam bij bijv. Schleiermacher, Max Müller, James Frazer en Edward Tylor. Het gevoel voor het mysterieuze klinkt ook door in het invloedrijke boek Das Heilige (1917) van de theoloog Rudolf Otto. Hij beschrijft vooral het religieuze gevoel ten aanzien van wat hij “het numineuze” noemt, zoals dit gevoel vooral in het christendom en jodendom aanwezig is en minder van toepassing lijkt op inheemse volken en hun magische en rituele praktijken. Al deze religiewetenschappers manen ons expliciet of impliciet alert te zijn op westerse gezichtspunten.

Mircea Eliade bouwt in Het heilige en het profane voort op Het heilige van Rudolf Otto in een ruimer kader. Het onderscheid is niet streng. Ook alledaagse objecten zoals stenen en bomen kunnen heilig zijn. Dat geldt ook voor de hele natuur. “Voor diegenen die een religieuze beleving kennen zou de hele natuur zich als kosmische heiligheid kunnen openbaren.” (p15) Hetzelfde boek verscheen onder de titel De magie van het alledaagse, die het genoemde onderscheid relativeert. 

Desacralisering of onttovering van de natuur is een betrekkelijk recente westerse ontwikkeling, zoals ook Max Weber, Hans Joas en Marcel Gauchet beschrijven in resp. Gesammelte Aufsätze zur Religionssoziologie, De macht van het heilige en De onttovering van de wereld: Een politieke geschiedenis van de religie (zie CM 120 en 126). “Voor de overige mensheid biedt de natuur nog steeds een ‘betovering’, een ‘mysterie’, een ‘majesteit’.” Ook moderne mensen zijn nog “ontvankelijk voor de ‘bekoringen der Natuur’... een moeilijk te definiëren gevoel, waarin met evenwel de herinnering aan een gedegradeerde religieuze ervaring onderkent.” (Eliade, p110,111 resp. 84,85, ‘Desacralisatie van de natuur’) 

Dit wijst erop dat de ervaring van het heilige, bovennatuurlijke en transcendentie te maken heeft met de menselijke houding en het (soms verruimde of meer subtiele, meditatieve of magische) bewustzijn van waaruit men dit waarneemt en beleeft, zoals ook Abram aangeeft. Dezelfde werkelijkheid kan als magisch en heilig of alledaags en triviaal worden ervaren afhankelijk van onze waarneming en ons bewustzijn. 

Het zintuiglijke en bovenzinnelijke

Pater Placied Tempels deed in Bantoe-filosofie zijn best om deze vanuit de Bantoe-visie weer te geven, maar ontkomt evenmin als pater Paul Schebesta in De oorsprong van de godsdienst aan een christelijke inkleuring en (oer)monotheïstische voorkeur. (Zie de bespreking in CM 141). Hij onderscheidt de “gedegenereerde Bantoe-wijsheid” van “hun  oorspronkelijk zuiverder ontologie”. Hij doelt daarbij op “onderwerping aan Gods wereldbestuur  en eenvoudig gebruik van de krachten die God aan de mensheid ten dienste heeft gesteld” die hebben geleid tot ontelbare magische “versterkingsmiddelen” die meer op zichzelf staan en weinig meer te maken hebben met de ene “hoogverheven werkelijkheid” van de goddelijke levenskracht. (p156,157) Bij Abram ontbreekt een onderscheid in heilig en werelds en een dergelijke verwijzing naar een “hoogverheven werkelijkheid”, die volgens hem te maken heeft met het dualistische christelijke wereldbeeld van missionarissen en antropologen. Bij hem is de magische wereld zintuiglijk, vandaar zijn titel The Spell of the Sensous. 

Onze zintuigen zijn echter beperkt, De werkelijkheid strekt zich uit naar wat wij niet kunnen waarnemen. Tot op zekere hoogte kunnen we onze waarneming uitbreiden. Bij de wetenschap gebeurt dit met instrumenten, zoals microscopen, telescopen en MRI-scans. Magiërs gebruiken andere middelen en vermogens. Maar zelfs met de uitbreiding van de waarneming blijft er een gebied dat zich aan onze waarneming onttrekt en dat bovenzintuiglijk, bovenzinnelijk of transcendent genoemd kan worden. 

Magie en religie

The Spell of the Sensuous gaat over magie, die Abram in het domein van het zintuiglijke plaatst. Dit kan echter ook een gebied zijn waar de fysische werkelijkheid en het bewustzijnsveld elkaar raken. Magie berust volgens James Frazer op het inzicht dat dingen op een onzichtbare manier, “door een geheime sympathie” met elkaar zijn verbonden, zoals door een soort ether of fysisch veld. (The Golden Bough, p12) Het kan ook een bewustzijnsveld zijn, want een beeld in het bewustzijn zou invloed kunnen hebben op de fysische wereld via "imitatieve en sympathieke magie”, die in het boek breed wordt uitgemeten bij uiteenlopende volkeren. 

Een ander klassiek  standaardwerk, The History of Magic van Eliphas Levi - pseudoniem van Alphonse Louis Constant, een 19e eeuwse gewezen priester en vrijmetselaar - spreekt van “een gemeenschappelijke verbinding (receptacle) voor vibraties van bewegingen en beelden van vormen, een fluïdum en een kracht, die in zekere zin de verbeelding van de Natuur kan worden genoemd. Door deze bemiddeling is ieder zenuwstelsel in verborgen communicatie met elkaar, vandaar de sympathie en antipathie, dromen en helderziendheid en buitennatuurlijke [buitenzintuiglijke] waarneming.” (p39) Hij geeft er diverse namen aan. ontleend aan verschillende magiërs, zoals ‘astraal licht’. Dit wijst op een niet gebruikelijke vorm van bewustzijn, die voor magiërs toegankelijk zou zijn, zoals ook Abram aangeeft.

Dit licht is tevens een kracht, te vergelijken met de levenskracht die Tempels beschrijft. Het heeft te maken met ons bewustzijn. “De waarneming wordt naar binnen gekeerd in plaats van naar buiten... Het brein wordt gevuld of geladen met astraal licht... De overeenstemming tussen naam en vorm trekt het astrale licht naar een reflectie die deze vorm representeert. Configuratie is de essentie is van het vitale licht. Het is de universele imaginatie waarvan ieder van ons in mindere of meerder mate iets heeft eigen gemaakt, afhankelijk van onze mate van gevoeligheid (sensibility) en geestelijk vermogen. Daarin ligt de bron van alle verschijningen, buitengewone visies en alle intuïtieve verschijnselen die kenmerkend zijn voor extase... Het bewustzijn van licht [het bewuste licht] is een schemerlicht van het eeuwige leven.” De dingen zijn daarvan een manifestatie. (p40,41)

“Het inzicht in het gebruik van deze kracht, zonder erdoor te zijn geobsedeerd of overheerst... leren we van de magie van het licht... Daarin zijn de mysteries van het magnetisme vervat, die toegepast kunnen worden als praktisch onderdeel van de antieke transcendente magie... Maar dit is alleen voor ingewijden.” (p41) Levi spreekt ook van een ‘transcendente wetenschap’ en verwijst o.m. naar de Joodse Kabbalah en Zohar. Magie, religie en wetenschap gaan bij hem in elkaar over. “God is waarlijk aanwezig als Hij wordt vereerd door verzamelde zielen en voelende harten. Hij is afwezig... als hij wordt besproken onder licht of vuur, dat wil zeggen zonder begrip of liefde... Licht is het actieve principe voor de kabbalisten.” (p45)  

 

 In Doctrine and Ritual of Transcendental Magic legt Levi zijn inzichten verder uit. The History of Magic biedt een omvattend historisch overzicht van magie bij de Perzen, Egyptenaren, Grieken, Joden, christenen uiteenlopende mystieke en esoterische scholen en magiërs, in het bijzonder in de 18e en 19e eeuw rond de Franse Revolutie. Het geeft een aanvullend overzicht van een ervaringsdeskundige bij de ervaringen en inzichten van Abram, die eveneens verwijst naar de Kaballah. 

https://www.hortipoint.nl/bloemenblad/heeft-groen-effect-op-het-geestelijk-welzijn/

Een kale van zin beroofde aarde bevordert niet ons welzijn 

Het zintuiglijke en het bovenzinnelijke

Abram is een eigentijdse wetenschapper, magiër en ecologisch activist. Zijn werk ademt een andere sfeer dan bovengenoemde vaak klassieke werken uit een andere tijd. Deze werken plaatsen zijn werk in een ruimer historisch en godsdienstwetenschappelijk kader, waarbij het zintuiglijke overgaat in het bovenzinnelijke transcendente, waarvan Abram afstand neemt als uiting van christelijk dualisme. Een dergelijk dualisme blijkt meer algemeen te zijn en minder stringent. Het religieuze en magische onderscheidt zich volgens diverse religiewetenschappers van het gewone en profane en lijkt een blik te werpen voorbij ons normale ervaringsbereik. In die zin komt het overeen met de visie van Abram, die ook schrijft dat sjamanen hun waarneming kunnen verfijnen en uitbreiden.

Religie is niet alleen een aardse en zichtbare zaak maar ook een hemelse en transcendente aangelegenheid. Het gaat erom de verbinding tussen beide te herstellen in een kosmisch perspectief, willen we onze aardse problemen fundamenteel oplossen. Socioloog Peter Berger geeft de volgende definitie: “Religie is de menselijke houding ten opzichte van een heilige orde, die al het zijn insluit – menselijk en anders. M.a.w het geloof in een kosmos, waarvan de betekenis de mens transcendeert en omvat… Het betreft de verbinding van de kosmische orde en de menselijke orde… Deze is ‘juist’ voor zover zij in overeenstemming is met de uiteindelijke ‘juiste’ orde van het universum.” (Berger, ‘Religious Institutions’ in Neil Smelser, Sociology, p 337-38, zie ook zijn boek Het hemels baldakijn / The Sacred Canopy, p 37). Hij verwijst daarbij naar godsdienstwetenschappers als Mircea Eliade en Gerard van der Leeuw.) Het gaat erom het leven in overeenstemming met de kosmische orde van de natuur te herstellen. 

  

Sjamanisme, ervaringen van extase en mystiek

In zijn omvangrijke standaardwerk Shamanism: Ancient Techniques of Ecstasy gaat Eliade uitvoerig in op de ervaringen en methoden van sjamanen, die hun bewustzijn en waarneming kunnen veranderen. Ervaringen van sjamanen kunnen een mystiek en religieus karakter hebben in de zin van een bewustzijnstoestand van bevrijding en gelukzaligheid van voor de ‘val uit het paradijs’ in joods-christelijke termen, in ruimere zin “een val uit het heilige” (p xxv). Impliciet doet dit denken aan een nog niet onttoverde dus als heilig ervaren wereld, maar het onderscheid in heilig en profaan, zintuiglijk en bovenzintuiglijk lijkt universeel te zijn, zij het niet zo streng als in het christelijk dualisme.

“Sjamanisme is om precies te zijn een van archaïsche technieken van extase –en tegelijk mystiek, magie en ‘religie’ in de breedste zin van het woord.” (p xxv) De term komt van het woord saman van de Siberisch Toengoezen, maar dezelfde term komt voor in het Indiase Pali en Sanskriet, dat mogelijk de bron is. Er is mogelijk een Indiase, boeddhistische invloed geweest bij de Toengoezen, die diep in Azië doordrongen. Eliade wijst op de verwantschap van de technieken van sjamanen met ascetische methoden in het oude India, waaruit yoga- technieken zijn voortgekomen, en andere overeenkomsten. (p412 e.v.) Het sjamanisme is echter een universeel gegeven dat bij vrijwel alle “archaïsche volken” voorkomt met een term van Eliade, inclusief de oude Indiërs, Grieken, Perzen, Kelten en Germanen, onze voorouders, met dezelfde symbolen, archetypen, rituelen en verhalen, waarvan hij er vele beschrijft van over de hele wereld.

Het Hoogste hemelse Wezen werd ook “het heldere, schijnende Licht” of “Heer Vader Heerser van de Wereld”, “de Meester van het Hoge”, enz. (p79) De onderscheid in hemel en aarde komt universeel voor. Sjamanisme blijkt vaak erfelijk te worden overgedragen van vader op zoon, maar ook direct “’ontleend te zijn aan de Hoogste God, die de sjamaan onderricht door dromen, visies en visioenen.” (p15

Kenmerkend voor het sjamanisme zijn de extatische technieken en ervaringen, waaronder trance en het zich verheffen in de hemelse wereld of het hemelruim. “Het is buiten twijfel dat de hemelse verheffing van de sjamaan (of de medicijnman, de magiër, enz.) een overblijfsel is van de archaïsche  religieuze ideologie gecentreerd rond .. een hemels Hoogste Wezen en.. concrete communicatie tussen hemel en aarde... Goddelijke en half-goddelijke wezens namen [later] de plaats in van het Hoogste Wezen... en veranderde de extatische ervaring van de sjamaan [...in] relaties met ’geesten’ en ‘belichaming’ daarvan... Dus we moeten het Aziatische sjamanisme zien als een archaïsche techniek van extase die voortdurend veranderde en waarvan de oorspronkelijke ideologie het geloof in een Hoogste Wezen was, waarmee het mogelijk was directe relaties te hebben door verheffing naar de hemel... Het verschijnsel trance onderging vele veranderingen... We vinden  hier en daar voorbeelden van echte mystieke ervaringen van sjamanen, die de vorm aannemen van ‘spirituele’ verheffing voorbereid door methoden van meditatie vergelijkbaar met die van de grote mystici van het Oosten en Westen,” zo concludeert Eliade aan het slot. (p505-07) Hij ziet de extase van sjamanen als een voorstadium van de mystieke ervaring, met als tussenvorm de symbolische “mystieke dood”, een vorm van bewustzijnsverandering. Degelijke bewustzijnsveranderingen maken het bijv. mogelijk de “taal der dieren” te verstaan en de “essentie van de dingen te onthullen” en andere inspiratie op te doen. (p510). 

Abram beschrijft geen mystieke ervaringen van transcendentie van de waarneming, kosmisch bewustzijn en eenheidsbewustzijn, zoals o.m. beschreven door Richard Maurice Bucke in Cosmic Consciousness en Walter Stace in The Teachings of the Mystics en Philosophy and Mysticism (zie CM 101), met uitzondering van de ervaring waarmee Abram zijn boek begint: “ik was niet langer beneden de nachtelijke hemel, maar ook erboven”. Het komt overeen met uitspraken in de Oepanishaden, zoals “wat hier is, is ook daar, en wat daar is is ook hier”, die verwijzen naar het alom aanwezige Atman-Brahman, dat zowel immanent als transcendent is: “het Zijnde en wat aan gene zijde van het Zijn is” (Taittiriya Oepanishad). Het gaat voorbij de waarneming, maar kan wel worden ervaren als het bewustzijn dat aan de waarneming ten grondslag ligt: “wat het zien van het oog veroorzaakt” (d w z mogelijk maakt, H. Groot, Verborgen wijsheid uit de Oepanishaden, p72,93,110, zie ook CM 142 over de vedantafilosofie). 

https://www.deingenieur.nl/artikel/jonge-ingenieurs-gaan-voor-duurzaam-en-circulair 

Naar een geïntegreerde cultuur?

Op grond van het bovenstaande kunnen we concluderen dat religie verwijst naar een domein van de werkelijkheid voorbij de waarneming, voorbij het zintuiglijke, waar Abram zich op richt. Het is een gebied dat bovenzinnelijk of transcendent wordt genoemd en dat ook in andere tradities dan de Griekse en de christelijke wordt beschreven en ervaren. Abram heeft daar weinig oog voor, mogelijk mede vanwege zijn fenomenologische kader of omdat daarvoor weinig aandacht is in onze zintuiglijk gerichte ‘sensate’ cultuur, met een term van Sorokin.

Het werk van Abram kan worden gezien in termen van een aandachtsverschuiving van het zinnelijke en zintuiglijke naar het geestelijke en spirituele. Zijn zintuiglijke oriëntatie past bij de Amerikaanse zinnelijk gerichte Sensate cultuur waarin hij is opgegroeid. Bovengenoemde Europese onderzoekers hebben vaak een geestelijk gerichte christelijke achtergrond, behalve Durkheim die een agnostische rabbijnenzoon was. De werkelijkheid heeft beide aspecten. Het gaat erom deze te integreren in een geïntegreerde cultuur in harmonie met de natuur, ernaar te handelen en onze economische, politieke en andere instellingen daarmee in overeenstemming te brengen.

De werkelijkheid heeft volgens bovengenoemde auteurs twee kanten: zintuiglijk en bovenzintuiglijk. Sorokin onderscheidt op grond daarvan drie cultuurtypen in zijn hoofdwerk Social and Cultural Dynamics: A Study of Change in Major Systems of Art, Truth, Ethics, Law and Social Relationships. Het ‘sensate’ of zintuiglijk gerichte type ziet de wereld als aards, materieel en zintuiglijk. Dit geldt voor onze tijd en ten tijde van het einde van het Romeinse Rijk. Het ‘ideationele’, ideële type ziet de uiteindelijke werkelijkheid als bovenzinnelijk en is daarop gericht. Dit gold voor de christelijke middeleeuwen. Bij het derde type noemt hij ‘idealistisch’ of geïntegreerd: de werkelijkheid heeft beide kanten. We zien dit vooral in tijden van overgang, bijv. ten tijde van de Griekse filosofen en na de Renaissance. Tot in onze tijd neemt de zinnelijke component in de cultuur toe. Zijn tijd, de 20e eeuw, noemde Sorokin een ‘overrijpe’ zinnelijke (sensate) cultuur, gericht op ‘sensatie’ en vermaak, verzamelen van materiële verworvenheden, enz. Tijdens de Verlichting en de Romantiek zien we beide componenten in een verschuivende ontwikkeling. In iedere tijd zijn beide componenten aanwezig, want een mens ‘leeft niet van brood alleen’ en is ook een geestelijk wezen, dat een omvattende zin zoekt in het leven, die verder gaat dan alleen het materiële en de voortdurend veranderende zintuiglijke ervaringen. In Sociocultural Causality, Space,Time beschrijft Sorokin dat in een geïntegreerde sociologische benadering drie aspecten gelden: het empirische, zintuiglijke, het logisch-rationele en het bovenzintuiglijke of intuïtieve en spirituele aspect. Sorokin kende . als verbannen Rus de cultuurtypen uit ervaring. Het Russisch-orthodoxe christendom, waarin hij opgroeide, doet nog middeleeuws aan. Het moderne Amerika noemde hij ‘overrijp sensate’. In zijn familie bij het Noord-Russische Komi-volk kwam nog sjamanisme voor. Zijn voorouders waren sjamanen. 

https://www.researchgate.net/figure/Sorokin-s-Macrohistory_fig1_228717422 

Is de indeling van Sorokin ook van toepassing op inheemse culturen? In deze vaak eenvoudigere culturen zien we vaak een integratie van beide aspecten. Er wordt wel gezegd dat de ‘onttovering’ daar nog niet heeft plaatsgevonden, alsof ze nog in ‘betovering’ en een prelogische fantasiewereld van goden en geesten zouden leven. Terwijl ze juist praktisch gericht zijn om met veel kennis van zaken en van hun natuurlijke omgeving zich vele eeuwen te handhaven tot de moderne beschaving hun cultuur heeft aangetast, zoals deze ook ons natuurlijke milieu heeft aangetast. Hun culturen blijken vaak meer geïntegreerd met de natuurlijke omgeving, die zij behoeden in plaats van leegroven en aantasten. 

Zonder deze culturen, hun ‘primitieve’ levenswijze en de ideeën en gebruiken die er heersen te idealiseren, kunnen we er veel waardevols van leren, zoals Abram en vele anderen hebben laten zien. In termen van de typologie van Sorokin zou de oriëntatie van onze cultuur op het bovenzintuiglijke en op ideële waarden toe zijn aan een herleving en leidt de mateloze gerichtheid op het verzamelen van materiële goederen, het zoeken van zinnenprikkelend vermaak en de ‘mimetische begeerten’ die daardoor worden opgewekt, uitzichtloos en uiteindelijk onbevredigend, zoals Achterhuis en anderen hebben beschreven (zie CM 141)

In zijn laatste grote werk The Ways and the Power of Love (1954) gaat Sorokin in op de Types, Factors and Techniques of Moral Transformation, waarvoor in zijn tijd nog weinig wetenschappelijke belangstelling was. Sindsdien zijn er meer van dergelijke studies verricht. Toon van Eijk wijst op de zeven dikke delen met onderzoek naar transcendente meditatie van David Orme-Johnson e,a. Naast geestelijke veranderingen, waarvan het belang vaak niet op waarde wordt geschat, zijn in onze tijd praktische economische, politieke en technologische veranderingen nodig om de problemen die ons bedreigen het hoofd te bieden, die met meer technologie en meer economie niet opgelost kunnen worden want dat is nu juist een van de problemen. 

Zonder geestelijke waarden en zinvolle doelen krijgen economische en technologische veranderingen geen zinvolle richting  die de menselijke ontwikkeling op langere termijn ten goed komt en lopen we het gevaar erdoor te worden meegenomen, waarop met name bij kunstmatige intelligentie wordt gewezen, maar het geldt voor alle technologie. Aan het eind van de bespreking van Het betekenis web van Jeremy Lent is gewezen op de ‘cultural lag’: de tendens dat de cultuur achterloopt bij de techniek, die de cultuur als het ware meesleept in een race die de cultuur en moraal niet kunnen bijbenen. De oplossing ligt in een matiging en aanpassing van de techniek en economie aan onze wezenlijke menselijke behoefte aan een zinvol leven, hoe moeilijk dat ook is gezien de enorme macht van het WTE-complex van wetenschap, technologie en economie, waar milieuactivisten en spirituele bewegingen haast machteloos tegenover staan. Maar er vindt ook een breed gedragen collectieve bewustzijnsverandering plaats waarbij steeds meer mensen beseffen dat het op de oude voet niet veel langer door kan gaan, hoewel ook veel mensen vluchten in een heilloos populisme dat het probleem bij andere bevolkingsgroepen legt, waarop het onbehagen wordt afgereageerd. De tijd dringt voor constructieve actie op grond van dieper inzicht in de problematiek en mogelijke oplossingen die in de richting liggen van een meer geïntegreerde cultuur.