Hannah Arendt
Deel 8: De verovering van de ruimte en de status van de mens

Civis Mundi Digitaal #146

door Herman Hümmels

Bespreking van Hannah Arendt, Tussen verleden en toekomst, essay nr. 8. Uitgeverij Octavo, 2023.

 

In dit laatste essay in deze bundel stelt Hannah Arendt, als ‘humanist’ en niet als fysicus, zichzelf de vraag of de verovering van de ruimte de status van de mens verhoogd of verlaagd. Ze spreekt hierbij de leek aan, niet de wetenschapper. Uitgangspunt is, dat de mens het hoogste wezen is dat we kennen, ’een veronderstelling die we van de Romeinen hebben geërfd’. Omdat ze ‘de leek’ aanspreekt, kan ze alleen gebruikmaken van ‘het gezonde verstand’; de natuurwetenschapper zal niet overtuigd raken. Uitgangspunt is de menselijke waarneming en niet de uitslag van een meetinstrument.

Natuurwetenschap
Het doel van de moderne natuurwetenschap is niet langer de menselijke ervaringen te vermeerderen en te ordenen, het gaat om het ontdekken wat er achter de natuurlijke verschijnselen ligt. Als we ons beperkt hadden tot de vraag ‘wat leven is’, zouden we nooit uitgekomen zijn waar de natuurwetenschappen ons gebracht hebben. De vraag die Arendt stelt en alleen door ‘de humanist’ beantwoord kan worden is: wat zijn de natuurwetenschappers nu eigenlijk aan het doen? De antwoorden zullen nooit aantoonbaar ‘waar’ of ‘onwaar’ kunnen zijn, het gaat meer om overeenstemming.
"Begrippen als ‘leven’, ‘de mens’, ‘wetenschap’ of ‘kennis’ zijn per definitie voorwetenschappelijk.” (p332) De natuurwetenschappen hebben echter de wereld waarin we leven zo radicaal veranderd, dat de leek en de humanist, die nog steeds vertrouwen op hun gezonde verstand en gewone taal, het contact met de realiteit verloren hebben. Ze begrijpen alleen nog ‘wat verschijnt’, maar niet wat er zich achter de verschijnselen bevindt.

Kunstmatige intelligentie
Arend preludeert in dit essay op de komst van onder andere de kunstmatige intelligentie. Machines hebben het vermogen om het werk van de mens beter en sneller te doen dan de mens zelf. Dit gaat ook op voor de elektronische breinen. Natuurwetenschappers die beweren dat computers kunnen doen ‘wat een menselijk brein niet kan bevatten’, spreken onzin, want bevattingsvermogen is een functie van de geest en is nooit het automatische resultaat van hersencapaciteit. De vraag is: hoe een mens kan doen wat hij niet in staat is te bevatten en in gewone mensentaal kan uitdrukken. Dit baarde vooral mensen als Einstein [het dobbelen van God], Planck, Bohr en Schrödinger zorgen: “een theorie werd geacht ‘bevredigend’ te zijn, en wel bevredigend voor de menselijke rede voor zover ze ertoe diende om ‘de fenomenen te redden’, dus om alle waargenomen feiten te verklaren.” (p334) Het gaat er niet om of een theorie wiskundig klopt.

Teloorgang
De teloorgang tussen het contact tussen het natuurkundig wereldbeeld en de wereld van de zintuigen, wordt steeds duidelijker. Het betekent “dat het veel waarschijnlijker is dat de planeet die we bewonen, in rook zal opgaan als gevolg van theorieën die geen enkel verband vertonen met de wereld van de zintuigen en elke beschrijving in gewone mensentaal tarten, dan dat zelfs een orkaan de bedoelde theorieën als zeepbellen kan doen uiteenspatten.’ (p336)

“Het was in feite hun zoektocht naar de ‘ware realiteit’ die bewerkstelligde dat ze hun vertrouwen verloren in de verschijningen, in de fenomenen die zich uit zichzelf aan de menselijke zintuiglijkheid en rede onthullen.” (p337) Doordat ze ontdekten dat niets ondeelbaar blijkt, moesten ze hun ideaal over een omvattende noodzakelijkheid en wetmatigheid opgeven. Het toeval voert het hoogste gezag.
Natuurwetenschappers keken volgens Arendt neer op de ruimtevaartwetenschappers als waren het ‘loodgieters’. De droevige waarheid is, dat de wereld van de zintuigen en verschijnselen, en het wereldbeeld van de fysica, niet is hersteld. Technici hebben de resultaten van de natuurwetenschappen naar de aardse praktijk gebracht. Ze tonen aan dat hun theorieën overtuigender zijn dan welk zuiver wetenschappelijk waarnemen dan ook.

Ruimtevaart
Het belang van het ruimtevaartproject staat volgens Arendt buiten kijf. Utilitaire bezwaren vallen in het niet in vergelijking met de dingen die op het spel staan. Als argument noemt Arendt, dat de hele ontwikkeling tot stand kon komen “dankzij de verbazingwekkende ontwikkeling van de wetenschappelijke vermogens van de mens. De integriteit van de natuurwetenschap vereist dat niet alleen nuttigheidsoverwegingen, maar ook de aandacht voor de status van de mens worden opgeschort.” (p340) De atoomdeskundigen waren zich maar al te goed bewust van het destructieve effect van hun experimenten, ze toonden zich als wetenschapper zelfs niet bezorgd om het voortbestaan van onze planeet, laat staan van het overleven van de menselijke soort.

Onzekerheidsprincipe
Werner Heisenberg heeft aangetoond dat de metingen die instrumenten verrichten beperkingen kent. Mensen komen in de techniek altijd zichzelf tegen, de toekomst is niet met zekerheid voorspelbaar. Zelfs als de mens inziet dat er grenzen zijn aan zijn kennis, is de reis de ruimte in niet onschuldig en niet op voorhand een zegenrijke onderneming. Hij zou slechts in bezit nemen wat al van hem is. De verovering van de ruimte en de wetenschap die haar mogelijk maakte, zijn gevaarlijk dicht bij een destructief punt genaderd. Zodra dit punt bereikt is, “zou de status van de mens volgens alle maatstaven die we kennen niet eenvoudigweg worden verlaagd, maar worden tenietgedaan.” (p346)

Eindconclusie van het boek
Ondanks de laatste, wat onheilspellende woorden, is de visie van Arendt niet per se negatief: overheersend is haar geloof in ‘een’ toekomst. Mensen kunnen steeds weer opnieuw een nieuw begin maken, als we ons maar genoeg bewust zijn van de mogelijkheid van ‘het kwaad’ en ons ertegen wapenen.
Het lezen van dit boek vormt, vanwege het taalgebruik en de vele (ter zake doende) omzwervingen, een ware uitdaging: voor wie van puzzelen houdt, is het lezen van deze bundel essays een uitdaging. Arendt stelt een aantal begrippen aan de orde die ook, al dan niet expliciet, in haar andere werk aan de orde komen. Ze steunt daarbij sterk op filosofen, van de Griekse oudheid tot en met de Verlichting, maar ze wil zelf geen filosoof genoemd worden, maar politiek theoreticus, al doet ze weinig anders dan ‘filosoferen’. Dit doet ze op een zinnige manier, waarbij ze aansluit bij de actualiteit.
Voor degenen die voor het eerst een studie over de denkwijze van Hannah Arendt willen maken beveel ik het boek van Dirk de Schutter en Remi Peeters: Hannah Arendt, politiek denker aan, voor een overzicht.

De auteurs geven een uiteenzetting van Arendts politieke theorie en besteden ruime aandacht aan vele verhelderende onderscheidingen: nataliteit-mortaliteit, arbeiden-werken-handelen, macht-heerschappij-gezag, geweld-terreur, tirannie-totalitarisme, vrijheid-soevereiniteit, het politieke-het sociale, waarheid-opinie…